Goaitsen van der Vliet van de Taalbank Twente spoorde in 2008 via Google een ‘17e eeuws’ document op met de titel ‘Zestienregelige verzen in den tongval van twaalf Overijsselsche steden. Met penteekeningen van deze steden.’ In de hoop en verwachting dat er tenminste één Twentse stad in zou voorkomen, werd een scan besteld bij de Leidse Universiteitsbibliotheek. En toen bleken de meeste steden in de Kop van Overijssel en daar omheen te liggen. Eén daar van is Vollenhove. In 'Overijsselse Historische Bijdragen' 141 (2016) staat een uitgebreid artikel van Goaitsen over het onderzoek naar de totstandkoming van het handschrift, en naar de plaatselijke personen en gebeurtenissen die in de teksten voorkomen. In dezelfde uitgave schrijft dr. Philomène Bloemhoff-de Bruin over de twaalf stadstalen. Hieronder een samenvatting met wat eigen kanttekeningen.

TydemanAlles wijst erop dat Meinard Tydeman de auteur was. Meinard Tydeman (Zwolle, 20 maart 1741 – Leiden, 1 februari 1825) was een jurist, historicus en de eerste wetenschapper die colleges over de Nederlandse taal gaf. Tussen 1790 en 1795 was Tydeman griffier van de provincie Overijssel, in deze periode schrijf hij vermoedelijk deze gedichten die dus uit het einde van de 18e eeuw stammen. Vanwege Tydemans sympathie voor het huis Oranje kreeg hij professionele problemen. Via Kampen trok hij in 1801 naar Leiden, waar hij werkzaam was in de universiteitsbibliotheek. Tussen 1801 en 1814 stelde hij samen met zijn zoon en met John Bake een 22-delige catalogus van de bibliotheekcollectie samen. In 1814 werd hij in Leiden benoemd tot hoogleraar.

De gedichten zijn bijzonder omdat ze in de streektaal geschreven zijn. Rond 1780 wordt er voor het eerst een Overijsselse woordenlijst opgesteld, waaraan ook Jan Arend de Vos van Steenwijk (1746-1813) uit Vollenhove meewerkte. Mogelijk vanuit zijn ervaring als drost van Vollenhove, een ambt dat hij bekleedde van 1751-1779. In de griffiersperiode van Tydeman was Coenraad Willem van Dedem tot de Rollecate en den Berg (1738-1816, schoonzoon van Jan Arend) de plaatselijke drost. Ik noem dit, omdat in het gedicht over Vollenhove ook ‘de drost’ figureert.

Elk gedicht is voorzien van een afbeelding, en geschreven in het plaatselijke dialect. De onderzoeker schrijft, dat op deze manier ‘twaalf Overijsselse dialecten ondertussen verrijkt zijn met het oudste gebruiksvoorbeeld tot nu toe, zodat de taalgeschiedenis van de provincie verder genuanceerd kan worden’. Daarbij geven de rijmen een inkijkje in het dagelijks leven in de Overijsselse steden tegen het einde van de 18e eeuw. Zo krijgen we bijvoorbeeld een aardige indruk van het menu van de burgerij in die tijd door alle genoemde etenswaren en dranken achter elkaar te zetten: beschuit, pannenkoeken, rijst, zout, pap, vlees (van het spit), bier, boter, stokvis, ketelkoek, mosterdzaad, wittebroodjes, gist, krentenwegge, warme bollen, harde knollen, koek (met de sleef beslagen), vis (zelf gevangen), noten, rogge, broden, bokking (Vollenhoofse), gerst (gekookt), bieten (gekookt), vis (gezouten), wijn en hete bolletjes.

Het geheel bleek nog wel een hele puzzel. Zo bleken de plaatjes niet altijd overeen te komen met de stad uit het gedicht. De persoonsnamen werden opgezocht in genealogische databanken, vaak via plaatselijke vrijwilligers – waaronder ondergetekende, die onmiddellijk de naam Maaskamp herkende vanwege mijn onderzoek naar de bakkers van Vollenhove. Maar nog lang niet alles is verklaard, wellicht hebben onze lezers nog aanwijzingen.

Hieronder volgt het rijm over Vollenhove:

Eynbert haelt de Zak mit Rogge;
Gauw reys fan Vrouw Maaskamps Huis:
Brenk heur van de beste Krogge,
Die Oeu Vaer koft' an de Sluis.

Kom sprink schielick op te Waegen;
Jaegt de Pierden zachgies voert:
Rijkent en Oeu Vaer die jaegen,
Na de Koe-Boer Evert Koert.

Strakkies kump te Drost mit Jannis;
Abram Stroo-Cool op te Deur:
Juffrouw haelt de Brôon by Mannis,
All' de Schut'len staan daar veur.

Wy zult Folnoesse Bokkink eten;
De Pann' is hiet het Fuur dat rookt:
Juffrouw Y mot neet fergeten,
Day strakkies ook wet Gaerste kookt.

Vertaling door Goaitsen van der Vliet:

Engbert haal de zak met rogge / Gauw eens van vrouw Maaskamps huis / Breng haar wat van de beste krok / Die je vader kocht in Zwartsluis // Kom, spring vlug op de wagen / Jaag de paarden zachtjes voort / Rijkent en je vader rijden / Naar veeboer Evert Koert // Straks komt de drost met Jannes / Abraham Stroo-Cool [staat al] voor de deur / Juffrouw haal de broden bij Mannes / Alle schotels staan er voor klaar // Wij gaan Vollenhoofse bokking eten / De pan is heet, het vuur rookt / Juffrouw, je moet niet vergeten / Dat je straks ook wat gerst kookt.

Fraay Edel Vollenhoof, Cieraad van Dorp en Steden;
Uw’Stad is uytgewoont, Uw’ Volk is overleden:
Uw’ Tempel is versiert, Met Wapen-Schilden klaar;
Tot een gedagt’nis van U Edel Volk voorwaar!

Dit rijm bevat heel wat aanknopingspunten, maar weinig zekerheden. Er wordt Vollenhoofse bokking geserveerd: de visserij was in Vollenhove al in opkomst, en er was een bokkinghang (rokerij) van baron Van Middachten aan de rede (er was nog geen haven). Een bokking is een gerookte panharing (de Zuiderzeeharing was alleen geschikt om te bakken).

Historicus Jos Mooijweer schrijft: “De Eynbert die het meest in aanmerking lijkt te komen, is timmerman Engbert Moleman (1745-1808), zoon van Abraham (1711-1775, broodweger 1764-1775). Hij bekleedde bestuurlijke functies (voor en na de patriottentijd) en was met de familie Seidel eigenaar van herberg/logement ‘De Schoole’ – werd daar de maaltijd voor de drost voorbereid? Mannis kan een verbastering zijn van Hermannus. Binnen de familie Moleman komt in aanmerking Harmannus (1715-1792), oom van Engbert.” Vrouw Maaskamp is waarschijnlijk weduwe, het huis staat op haar naam, ofwel op die van wijlen haar (eerste) echtgenoot. Ik denk dat het hier gaat om ‘meester bakker’ Rijkent Jans Maaskamp (1719-1787). De genoemde Jannes kan dan diens broer zijn, die leefde tot 1804. Maar het kan ook Jan Hennink zijn, de bakkersknecht (1775-1858) uit Tubbergen. Dat de bakkerij naar een bedenkelijk niveau is afgegleden, zou kunnen blijken uit de levering van een hoeveelheid krogge (Brabants: krok) in ruil voor een zak met rogge. Krogge is vermoedelijk voederwikke, een onkruid met peulvruchtjes, vaak groeiend tussen het koren, dat als veevoer wordt gebruikt. Tot meel vermalen werd het in barre tijden soms vermengd met rogge om er brood van te bakken. De Rijkent in het rijm zou een kleinzoon kunnen zijn, maar de enige Vollenhoofse dopeling uit het derde kwart van de 18e eeuw met deze zeldzame voornaam die de onderzoeker heeft kunnen vinden, is Rijkent of Riekend Jans Bruintjes (1761-1814) uit de Leeuwte.

Dan is er de onvindbare veeboer Evert Koert, de dienstdoende drost (vermoedelijk de eerder genoemde Van Dedem) en Abraham Stroo-Cool, waarschijnlijk een bijnaam. Dat ook een zoon van Engbert Moleman Abraham heet, nemen we voor kennisgeving aan, ook al is het een zeldzame naam in het Vollenhove van de 18e eeuw. Van der Vliet: ‘Niets is zeker, zolang er geen bewijs voor is. Wie het weet, mag het zeggen.’

Zou Abraham Stroo-Cool slaan op het oeroude gebruik om een vijftigste verjaardag te vieren met  een broodpop die als een oude man met bril, pijp, staf en een baard (bijvoorbeeld van watten) wordt 'aangekleed'? In dit geval met de materialen stro en kool (als hoofd?). De vijftigste verjaardag van Engbert – als het degene is die Jos Mooijweer aanwijst – is voor of op 19 september 1795. Als die ‘voor de deur staat’ moet het gedicht kort daarvoor zijn geschreven.

Uit ‘De Gezichten van de steden van Overijssel - Over de taal van de rijmen’ van Philomène Bloemhoff-de Bruijn in Overijsselse Historische Bijdragen 131 (Zwolle 2016) 41-49 citeer ik:

“Het rijm dat bij Vollenhove hoort staat naast de afbeelding van Blokzijl. Het is uitsluitend op grond van de taal en de schrijfwijze van het rijm niet uit te maken of dit rijm een Vollenhoofse tekst is. Geen verkleinwoorden met klinkerwisseling (want: zachgies (r. 6), strakkies (r. 9)), en de aa-achtige klank van water e.a. wordt met ae geschreven: haelt, vaer ‘vader’, waegen, jaegt/jaegen (r. 1-8). Maar omdat in de woorden waar thans een ao gehoord wordt, in het rijm een aa geschreven is: na (‘naar’, r. 8), staan, daar (r. 12), kan toch met de geschreven ae een aa-achtige klank zijn bedoeld. Verder komt de gebiedende wijs met –t: haelt (r. 1), jaegt (r. 6), nog steeds voor in het Venoos, en ook de ee-klank in eten, fergeten (r. 13, resp. 15).”

Vollenhove lijkt op de regionale dialectkaart met diverse verkleinwoordvormen een bijzondere plaats in te nemen. Het is een enclave in het gebied dat nu Steenwijkerland heet. Het ‘Venoos’ onderscheidt zich van het omringende gebied doordat er klinkerwisseling in de verkleinwoorden voorkomt: naast bloeme: bluumpien, naast kop: köppien. In dit opzicht sluit Vollenhove zich aan bij het zuidelijker  gebied rond Kampen / Zwolle en Noord-Veluwe. Verder ligt Vollenhove in het gebied waar men water zegt in plaats van wèèter.