Boerderij van Oldenhof aan de rand van het goorDe Stad Vollenhove telde in de 18e eeuw dertien officiële havezaten, vlak buiten de stad waren er nog drie. Vroeger hoorde bij elke havezate, ook binnen de stad, minstens één ‘bouwhuis’ dat verse melk, boter en eieren leverde aan het adellijke gezin op de havezate er naast. De boer was in dienst bij de jonker of baron. Maar de adel verdween rond 1800 uit Vollenhove, de boerderijen werden verkocht en er kwamen boerenknechten naar de stad om daar een klein boerderijtje te gaan beginnen. In de jaren 1920 stonden er meer dan veertig van die stadsboerderijen, die vanwege de koemest zorgden voor veel nitriet en nitraat in het grondwater, dus in het opgepompte drinkwater. Pas in de jaren 1960 verdwenen de overgebleven actieve boeren door de ruilverkaveling, die hen niet alleen minder versnipperd land, maar vaak ook een nieuwe boerderij in de buurt opleverde.

Sommige boerderijen werden verbouwd tot woonhuis, de meeste werden afgebroken – vooral in de Visschersstraat en omgeving. Van veel boerderijen is niet één foto bewaard gebleven. In de herinnering van oudere Vollenhovenaren bleef alleen de naam van de laatste boer bewaard, soms zelfs alleen zijn bijnaam.

Op aandringen van Klaas Boes (1941-2017), gedreven amateurhistoricus en vrijwilliger bij zowel het gemeentearchief als het Stadsmuseum, ben ik aan de slag gegaan om het door hem aangeleverde materiaal over de stadsboerderijen binnen Vollenhove uit te werken. Hij had een kaart van het saneringsplan uit 1957, met daarop ingekleurd aangegeven de te saneren stadsboerderijen. De kaart bleek gemaakt door Roelof Gortemaker, een andere vrijwilliger, die toen bij de gemeente werkte. Verder had Klaas een lijst met de genummerde locaties, namen en bijnamen. Het onderzoek kon beginnen. In 2012 bleek ook Vincent Erdin al eens een onderzoek naar de stadsboerderijen te hebben gedaan, zoals die ook voorkwamen in steden als Kampen, Elburg en Harderwijk. Er moeten volgens Erdin rond 1840 tenminste 67 stadsboeren in Vollenhove zijn geweest met 400 stuks vee, op een totale bevolking van 1318 inwoners. Het boerenbedrijf, met zijn mestvaalten, hooivervoer en koeientransport was een apart gezicht in de stad. Erdin vond in het archief zelfs een klacht, ingediend bij de gemeente, over een stier die op straat zijn ‘werk’ stond te doen (1915). In een artikel in Kondschap in 1992 van T. Stegeman uit Meppel over de boeren in Brederwiede wordt meer over de boeren in de Franse tijd verteld.

Boerderij van Schuurman aan de Voorpoort

Boerderij van Schuurman aan de Voorpoort

In dat artikel stond o.a. het volgende:

Provinciale Commissies van landbouw

Dankzij de in de Franse tijd (1795-1813) ingestelde provinciale Commissies van Landbouw is over de boeren omstreeks 1800 en de eerste decennia van de negentiende eeuw vrij veel bekend. Zo'n commissie bestond uit vier tot tien leden, die ieder een district vertegenwoordigden. De meeste leden waren grootgrondbezitter of boeren met een belangrijke nevenfunctie en konden daarom een oordeel geven over de landbouw in hun gebied. In Overijssel waren er rond 1810 twee leden in de Noordwesthoek: Jan Zomer, schout van Steenwijk, en Gerrit Greve, boer in Vollenhove en tevens één van de vier burgemeesters van deze plaats. Greve rapporteerde begin 1810 over het zuidelijke en westelijke deel van het district.

Stad Vollenhove

In Vollenhove woonden meer landbouwers dan in Blokzijl. Bovendien deden de boeren in Vollenhove zowel aan akkerbouw als aan veehouderij, terwijl hun collega's in Blokzijl het alleen bij koeien hielden. Greve weidde over de landbouwers in Vollenhove, zijn woonplaats, veel meer uit dan over die elders in het district. De boeren in zijn stad hielden geen grote koppels vee. Met acht of negen volwassen dieren en zes tot acht stuks jongvee was het bekeken. Het waren overigens beste beesten; ze konden een gewicht van achthonderd pond halen en leverden door elkaar genomen een pond of zeven boter in de week. De Vollenhovers uit de stad en ook van het ambt leverden wekelijks de boter aan een opkoper in Blokzijl want Vollenhove had geen eigen markt.

De meeste boeren hadden hun bouwland in kampen op de hoge grond ten oosten van de stad. De percelen waren door wallen van elkaar gescheiden. De boeren hadden hun weiland binnendijks in de 'Benten' ten zuiden van de stad. Best land dat op enkele plekken erg laag gelegen was zodat het bemalen moest worden. Het hooi kwam van binnen- en buitendijks land tussen Vollenhove en Blokzijl. Het land kon tweemaal in de zomer worden gemaaid en daarna soms nog geweid. Daghuurders hadden veelal ook een paar koeien op stal. Hun dieren werden doorgaans door de vrouw 'bereddet'. Net als de boeren beschikten deze arbeiders over eigen of gepachte grond, gemeenschappelijke grond kende Vollenhove niet. Zo'n zestig mensen in de stad en het schoutambt hadden toestemming van het heemraadschap tegen een geringe vergoeding een koe te laten grazen aan de Zuiderzeedijk.

Er werd rogge en haver geteeld, beide van goede kwaliteit. Ook op de Voorst aan de zuidwestkant lag bouwland. Daar groeide evenals op de kampen rogge en gerst; verder leverden de akkers hier 'excellente' grauwe en groene erwten. Gerst werd al in juli of in het begin van augustus gemaaid. Dan kregen de stoppelknollen, die in het voorjaar gelijktijdig met de gerst of korte tijd erna waren gezaaid, gelegenheid om uit te groeien. De meeste knollen werden aan het begin van de stalperiode aan de koeien opgevoerd. Bovendien kwamen ze bij veel mensen een paar maal in de week op tafel bij de warme hap.

Boerderij van toon Zelhorst aan de Bisschopstraat.Boerderij van Toon Zelhorst aan de Bisschopstraat.


Een boer in Vollenhove en elders in deze contreien hield gewoonlijk twee paarden. Een 'heer' had er meer, baron Anthony Sloet van Oldruitenborgh soms zelfs twintig. Anthony Sloet bezat ook twee koppels Merinoschapen, die vanwege de kwaliteit van hun wol beter werden geacht dan inlandse schapen. Sloets Merino's vielen in het Vollenhoofse niet alleen op door hun uiterlijk, maar eveneens wat hun huisvesting betreft. 's Nachts vonden de dieren namelijk onderdak in een grote ruimte onder een steltenberg; dat was een opslagplaats voor hooi en graan. Een hooiberg kwam in de stad en de naaste omgeving nauwelijks voor, want op vrijwel elk bedrijf werden hooi en graan in de schuur opgeslagen.  

De Stad Vollenhove was in 1795 met 912 mensen kleiner dan Giethoorn, Wanneperveen-Dinxterveen, Blokzijl en ook het toenmalige schoutambt Vollenhove maar gevarieerder van samenstelling. De meeste werkenden waren  daghuurders (25), er waren 24 vissers, 16 boeren, 8 kleermakers, 7 schoenmakers, 5 bakkers en 5 slagers.

Onderzoek

Tot zo ver het artikel van Stegeman. Er waren dus zestien boeren in 1810, volgens Greve, zelf ook boer. Waar stonden die boerderijen dan precies? Telde hij ook de gezinshoofden op de bouwhuizen mee? En hoe komt het dat er in de twintigste eeuw zoveel boerderijen waren?

Van Henk de Zeeuw, die onderzoek doet naar de boeren op het ambt, kreeg ik cijfers over de aantallen boeren en daghuurders in 1890: dat waren er 44, meestal met weinig land, vaak gepacht. In 1957 telde ik op de kaart 36 te saneren boerderijen, waarvan er sindsdien enkele waren verbouwd tot woonhuis. Door onderzoek, gesprekken en een lezing over dit onderwerp kon ik nog enkele ‘boerderijen’ traceren en lijkt het er op dat ik alle 44 uit 1890 heb gevonden. Door uitvoerig onderzoek in het kadasterarchief, dat teruggaat tot (ongeveer) 1832, kon ik ook van een aantal boerderijen uit 1810 met redelijke kans de locatie en hun eigenaar vaststellen.

De grote toename van het aantal boeren in de stad in de negentiende eeuw is te verklaren uit de grote economische veranderingen in Vollenhove. De adel verdween, verhuisde vaak naar de stad en liet hun havezate afbreken omdat het onderhoud te veel kostte. Toutenburg, Nijerwal en Benthuis waren in 1800 al afgebroken, hun erven maakten deel uit van Landgoed Oldruitenborgh. Dat had een bouwhuis, zoals uit het rapport van Greve bleek.

Het bouwhuis van Nijerwal, gebouwd in 1739, bleef bestaan, vermoedelijk als woning voor de tuinman van Oldruitenborgh. Ook aan de Groenestraat, toen Hofstraat geheten, lag op de hoek bij de Toutenburg een pand op de saneringskaart van 1957, waarvan de kadastergeschiedenis uitwijst dat het een boerderij van baron Sloet van Oldruitenborgh was – en gegevens uit het bevolkingsregister teruggaan tot landbouwer Arrien Dikken uit het midden van de 19e eeuw. Een naam uit een geslacht van landbouwers, dat nog veel verder teruggaat in de Vollenhoofse stambomen.

De kaart van 1957 vertoont op dit punt veel gelijkenis met de kadasterkaart uit 1832 – en zelfs met de bekende kaart van Blaeu uit 1649! Zou dit het bouwhuis van de Toutenburg zijn?

 Hofstraat – Groenestraat / Landpoortsteeg

Aan deze straat lagen in 1957 nog drie boerderijen. Ook de geschiedenis daarvan gaat terug tot het begin van de 19e eeuw, ze behoren waarschijnlijk tot de zestien waar Greve het over heeft. De boerderij van Gerrit Jochems Greve (1765-1821) zelf is één van die drie, de kavel waar in 1957 de boerderij van Jan ‘van Kleuze’ de Vries  (1889-?) stond, die werd afgebroken in 1962. Deze boerderij was gebouwd in 1867, een tijd waarin heel veel werd herbouwd en gebouwd op oude en nieuwe plekken in de stad. Op de kavel ernaast stond in 1957 de boerderij van Simon Dragt, tot die in 1964 plaats moest maken voor het complex van slager Heetebrij, evenals de twee boerderijen van Zelhorst schuin daarachter aan de Bisschopstraat. De kavels reikten oorspronkelijk van de ene tot de andere straat, in de loop van de tijd zien we dat er stukken van af worden ‘geknabbeld’ of dat ze in twee of vier gelijke stukken worden verdeeld.

Uitsnede uit de kaart van Blaeu uit 1649. Boven de Hofstraat, onder de BisschopstraatUitsnede uit de kaart van Blaeu uit 1649. Boven de Hofstraat, onder de Bisschopstraat.

Wanneer we hetzelfde gebied, het stuk tussen Hofstraat (nu Groenestraat / Landpoortsteeg) en Bisschopstraat vanaf de Voorpoort (Landpoort) bekijken op de kaart van Blaeu uit 1649, valt een grote gelijkenis op. Ook toen stonden er kennelijk grote huizen op die kavels, aan de Hofstraat. Zou de betekenis van ‘hofstraat’ zijn gelegen in het aantal ‘hofsteden’ dat er aangelegen was?

De kavel naast landbouwer Greve was van landbouwer Jan Prins (1781-1823), daarnaast was de kavel van veehouder Ernst Hoefman (1782-1834). Deze kavel bleef van voor tot achter boerenbedrijf, maar wel over de lengte gesplitst. We treffen de namen aan van Hendrik Jans Paalder (1791-1866), een boerenknecht die uit Hengelo naar Vollenhove trok, en telgen uit de familie Zelhorst, van wie de eerste – Teunis Jans Zelhorst (1795-1866) vanuit Raalte naar Vollenhove kwam. De naam dankt de familie aan de Selhorst bij Broekland (onder Raalte), later het Nijeboer geheten. Daar gaat hun naam terug tot midden 17e eeuw als boeren. Op het laatst woonden in de ene boerderij twee broers Zelhorst, van wie één met de onverklaarbare bijnaam Pia. Velen in Vollenhove kennen nog die naam, weinigen kennen zijn echte naam… Op de andere boerderij woonde Willem Zelhorst, wiens zoon Bertus tot voor kort ‘boerde’ aan de Noordwal, waar bij de ruilverkaveling een aantal boerderijen voor de stadsboeren ter beschikking kwam.

De boerderij in de Landpoortsteeg, ooit ook Hofstraat, stond al op de kadasterkaart van 1832 en zag er op een onlangs opgedoken luchtfoto uit 1935 qua afmetingen nog net zo uit. Uit het kadaster blijkt het een perceel van de baron Sloet van Tweenijenhuizen te zijn geweest, in 1851 verkocht aan landbouwer Evert ten Napel (1794-1881) en toen opnieuw bebouwd.Aan de Landpoortsteeg stond verder tot 1949 de boerderij van Kwast, met een voorhuis dat al in 1935 plaats moest maken voor nieuwbouw van de schoonzoon van bakker Kwast, De Wit-Boers. Deze boer-bakkercombinatie zagen we ook op twee andere plekken in Vollenhove, namelijk bij Driezen aan de Bentstraat-Kerkstraat en bij Voerman (later Van Doesburg) in de hoek Kerkstraat-Putsteeg.

boerderij in de Landpoortsteeg van Kwast, met in 1935 afgebroken voorhuis De oudste bewezen boerderijlocatie is net buiten de voormalige Landpoort, in het deel dat de Voorstad heette, nu Voorpoort. De boerderij van Hendrik Schuurman, bijgenaamd ‘de Vuist’, moest in 1960 plaats maken voor de nieuwbouw van de Rabobank. Toen de bank in 2016 werd afgebroken werd archeologisch onderzoek gedaan en werden sporen van boerderijen gevonden die teruggingen tot de 16e eeuw. In het kadaster stond als oudste eigenaar Jacob Bergkamp (1754-1829) die boerderijen kocht voor zijn zoons – hij zelf was portier van de gevangenis ‘op het Fort’, en kwam uit Dalfsen.

boerderij in de Landpoortsteeg van Kwast, met in 1935 afgebroken voorhuis

Havezaten Oldruitenborgh, Westerholt, Middachten en Oldhuis

De boerderij die hoorde bij havezate Oldruitenborgh werd bestierd door mensen in dienst van de baron, tot de gemeente alles overnam in 1946. Tot de uitbreiding van het gemeentehuis in 1962, waarbij de boerderij verdween, werkte hier Harm Kwast en later zijn zoon Albert. Harm ‘Ruppies’ Kwast was een broer van Gerard Kwast, ‘ome See’, aan de Landpoortsteeg.

Aan de westkant van de stad vond men de vrij grote terreinen van de havezaten Westerholt, Middachten (het vroegere Oud-Hagensdorp) en het kleinere Oldhuis. Twee ‘huisknechten’ van Westerholt, dat rond 1840 verdween, trouwden, en verbouwden de stal op de hoek van de Bentstraat – waar later het postkantoor kwam en nu massagepraktijk Prevent zit – tot hun woonhuis. Het ging om  Albert Harsevoort (1800-1861), getrouwd met Jentje ten Napel (1798-1852), die vervolgens landbouwer werd en zich ontwikkelde tot aannemer. Hij kocht het hele terrein van Westerholt en Middachten op. In het begin van de 20e eeuw bleek achterop het terrein van Westerholt, ongeveer waar nu de straat Doeveslag loopt, een klein boerderijtje te staan dat bewoond werd door Willem Lassche, ‘de duit’, later stadsboer op ‘het Hollandse Plein’ waar nu café De Doppe is. Verder bleek er nog een schuur te staan op de hoek tegenover de boerderij van Harsevoort - later Bart Prins (1852-1926), door deze laatste gebruikt maar afgebroken om plaats te maken voor de eerste sociale woningbouw in Vollenhove in 1911.

Boerderij van Huisman aan de BentstraatBoerderij van Huisman aan de Bentstraat.

Het terrein van havezate Oldhuis omvatte naast het huis zelf een boomgaard er achter, en een mestvaalt, grenzend aan de boerderij van Harsevoort. Het huis bestond, mogelijk sinds 1830 toen het werd verhuurd, uit twee delen, met adressen Bisschopstraat 197 en 198. Het stelde weinig meer voor, het oostelijke huis werd in 1887 gesloopt om plaats te maken voor een nieuw huis, vermoedelijk gebouwd door Harsevoort voor zijn dochter die onverwachts zwanger was geworden, op 18 februari trouwde en op 21 augustus beviel van een zoon. Haar echtgenoot Hendrik Schuurman (1865-1948) kocht het huis, dat gebouwd was op de kavel van baron Sloet tot Oldhuis, bij de veiling in 1922 voor 155 gulden. Het andere deel was in 1912 onbewoonbaar verklaard en gesloopt door landbouwer Willem de Oude (1846-1912). Zijn zoon Jan  ‘Pruikkien’ de Oude  bouwde er een nieuwe boerderij - die nog bestaat - en na verbouwing wordt bewoond door oomzegger Harm Kwast. De Oude (1884-1966) kocht de kavel met daarop zijn ‘eigen’ boerderij en schuur (uit 1906) op dezelfde veiling in 1921 van de baron voor 430 gulden.

Peter de OldePeter de Olde

Aan de Bentstraat, naast de eerder genoemde boerderij van Harsevoort, later Prins, vervolgens (klein) ‘Stoffertien’ Oldenhof (1877-1966) en tenslotte korte tijd Piet Roebers; stond en staat nog een boerderij, die zelfs nu nog als zodanig herkenbaar is: die van Peter ‘Kip’. Peter de Olde (1882-?) en zijn zus Jentje bleven ongetrouwd en kinderloos. Kip was de achternaam van hun moeder. Peter was jarenlang tuinman op havezate Marxveld, aan de overkant van de straat, en was zelfs op televisie in de jaren 1970 in het NCRV-programma ‘Ontdek je plekje’. De boerderij is gebouwd in 1750, mogelijk als bouwhuis van havezate Oldhuis. In 1832 was het eigendom van de eerste Gerrit Jan Roebers (1787-1845) in Vollenhove van vele naamgenoten en landbouwers. Hij was vanuit Junne bij Ommen naar Vollenhove gekomen, en had later de boerderij (uit 1550) net buiten de stad aan de binnenhaven die als ‘Rentmeestershof’ bekend stond. Na Roebers was eerst Klaas Jans Dikken (1803-1879) eigenaar, toen vanaf 1880 Jan de Olde, Peters vader. Sinds 1972 is het een ‘gewoon’ woonhuis.

Boerderij van Driezen op de scheiding Bentstraat-KerkstraatBoerderij van Driezen op de scheiding Bentstraat-Kerkstraat.

Boer-bakkers

Op de overgang van de Bentstraat in de Kerkstraat was de bakkerij annex boerderij van Lucas van Gulik (1824-1904), in 1861 gebouwd. Zoon Andries  van opvolger Driezen (1862-1941) was wel boer maar geen bakker, en emigreerde in 1930 naar Neuilly (Frankrijk). Bij zijn terugkeer was hij ‘de Franse boer’. Op de boerderij ging Jacob ‘van klein Willempien’ van der Linde (1903-?) door vanaf 1933 tot zijn broer Jan (1901-?) het overnam in 1939 tot ongeveer 1962.

Nog zo’n combinatie van boer en bakker treffen we iets verderop in de Kerkstraat. Achter het monumentale pand met de gevelstenen ‘Anno 1869’, en daartussen het gildeteken van de banketbakkers,  een duivekater, stond een boerderij die bij de bakkerij hoorde. Aanvankelijk was het de familie Voerman (tot 1912) die hier aan de oven en de trog stond, tenslotte was het Hendrik Jaap van Doesburg die het ruim vijftig jaar met zijn knecht volhield.

Toen hij stopte had hij nog vier koeien. Naast de bakkerij woonde op de hoek van de Putsteeg bakkersknecht Jan Hinnen (1794-1831), bij zijn overlijden ook landbouwer genoemd. Zijn vrouw was een boerendochter, en verkocht het huis als boerderij aan Roelof Jans van der Linde (1794-1863, broer van molenaar Hendrik). Diens ongetrouwde kleinzoons (1870-1940), Arend (1872-1933) en Jan (1876-1961) bleven hier samen wonen tot na de dood van hun moeder in 1917. In 1937 verhuisde Roelof, als laatste, naar Kampen, hij was toen 67 jaar oud. Het huis, gezien de drie ‘landbouwers’ in gebruik als boerderij, werd in 1937 verkocht en de functie als boerderij stopte toen ook.

Bakker Jan Voerman’s broer Harm (1845-1913) was in 1881 getrouwd met boerendochter Grietje de Lange (1841-1915). Zij kregen toen het achterste deel van de kavel, aan de Putsteeg, waar in 1848 al een huis op was gebouwd en in 1877 vermoedelijk tot boerderij verbouwd. De boerderij werd na hun overlijden verkocht aan baron Anton Henri Sloet van Marxveld, zoon van de oprichter van de stroopfabriek schuin er achter, mogelijk onder het motto ‘het huis van de buurman is slechts eenmaal te koop’. De stroopfabriek was niet meer in gebruik. Vermoedelijk werd de boerderij vanaf 1915 al verhuurd aan Jan Marten Boes (1875-1977), broer van stroopfabriekarbeider – en later boer aan de Haven - Klaas ‘de dreuge’ Boes. Deze Jan ‘Suker’ was in 1905 getrouwd met Trijntje Spans (1879-1967), een boerendochter uit een familie die al in de 17e eeuw boerde in de Barsbeek. In 1954, Boes was toen al 79 en waarschijnlijk geen actieve boer meer, werd de boerderij verkocht aan stadsboer Steven ‘van Bart’ Prins (1888-1986), net gestopt aan de Vismarkt, die toen naast bakker Van Doesburg ging wonen en in de stal vermoedelijk nog een paar varkens als liefhebberij hield tot 1958. In 1961 werd het pand gesloopt.

Spans, boer op TilvoordeTilvoorde

Stroopfabriek Tilvoorde aan de Bisschopsstraat, nu in gebruik bij de Hervormde Gemeente voor bijeenkomsten, heeft gefunctioneerd van 1870 tot 1915. Zowel voor als na die tijd was er een boerderij op die locatie. Vanaf 1928 tot 1933 woonde het pasgetrouwde stel Jurrien Spans en Aaltje Rook in de als boerderij verbouwde fabriek, tot ze naar het ambt gingen en plaats maakten voor neef Derk Jan Spans (1904-1989). Diens opvolger, zoon Piet, trok vanwege de ruilverkaveling in 1961 naar de Noordwal waar de familie nu een camping heeft.

Voordat Gerard baron Sloet van Marxveld de stroopfabriek liet bouwen, werd er zowel hier als op de reservelocatie in de Moespot bij omwonenden geïnformeerd naar mogelijke bezwaren. Zo weten we dat er in de onmiddellijke omgeving minstens drie boeren actief waren. Een daarvan is hierboven al besproken bij de boerderij in de Putsteeg. Luite van der Linde, ‘houder eener boerderij’ had geen bezwaar: hij werd uitgekocht, zijn boerderij moest plaats maken voor de fabriek. Luite van der Linde (1802-1871) had de boerderij kort er voor verkregen uit de boedel van de de kinderloos overleden familie  Van den Bos (1765-1826) – van Kampen (1760-1835). Het waren de oom en tante van zijn vrouw Jannetjen van den Bos (1799-1867). Zij hadden twee boerderijen naast elkaar, waarvan die op de hoek Bentstraat-Bisschopstraat in 1873 plaats moest maken voor de pastorie van de Hervormde Kerk.

Negen boerderijen bij elkaar

Verderop in de Bisschopstraat, tussen de Kerksteeg en de ‘Grote Gank’ dus vlakbij de havezate Plattenburg, bevonden zich maar liefst negen stadsboerderijen. In slechts één geval kan een relatie met een havezate, in dit geval Plattenburg, worden aangetoond: het pand Bisschopstraat 39, in 1906 verbouwd, staat op de plek die in 1832 stal van de baron aan de overkant was. Als boerderij heeft het pand dienst gedaan tot 1961. De laatste boer was Gerrit Jans Spans (1885-1903), neef van de vaders van beide telgen uit deze oude Vollenhoofse familie die in Tilvoorde boerden. Om de familiebanden tussen alle Vollenhoofse boeren nog maar eens uit te lichten: dochter Trijntje trouwde in 1904 met Jan Boes uit de Putsteeg. De boerderij kwam in de plaats van een paardenstal met koetshuis dat in 1840 werd gebouwd voor de havezate Plattenburg, en in 1863 verbouwd tot boerderij. Mogelijk werd het pand vanaf die tijd verhuurd aan Jan Peters Spans (1835-1903), in 1866 getrouwd met boerendochter Wichertje Huisman (1843-1903). Later werd het hun eigendom en bleef het nog twee generaties in de familie.

Maar eerst terug naar de Kerksteeg. Die vormde de oostelijke grens van het terrein van havezate Cannevelt, die aan de Hofstraat (nu Groenestraat) stond. Ten oosten daarvan lag het terrein van havezate Plattenburg, die nog steeds aan de Bisschopstraat te vinden is.

De grote boerderij van Toon ‘de Krulle‘ Zelhorst stond op de plek waar nu het Stadsmuseum is. Er was een achteringang aan de Kerksteeg, ook de toegang tot de lagere school (later ULO) die er naast stond.

Boerderij van Toon Zelhorst, Bisschopstraat bij de KerksteegBoerderij van Toon Zelhorst, Bisschopstraat bij de Kerksteeg.

Toon Zelhorst (1901-1987) en Annegien Dikken (1903-1974) woonden er vanaf hun trouwen in 1932 tot de afbraak in 1964, ook zij gingen naar de Noordwal.

Toon kocht de boerderij van de familie Prins, die er vermoedelijk al sinds de (ver)bouw in 1844 woonde. Het waren Steven Jans Prins (1817-1870) en zoon Jan Stevens Prins (1845-1927) die hier boer waren. Daarvoor was het in handen van veehouder Albertus of Berteld Arents Brave (1755-1833) en zijn ongehuwde zoon Arent (1809-1852). Bertelds vader Arent was een zoon van Eijnert Arents Rentinck, een bekende familienaam in Vollenhove, onder andere verbonden aan ‘Rentincks Erve’ op het ambt. Was deze oude boerderij ooit een bouwhuis van Plattenburg, of Cannevelt?

De overige boerderijtjes aan de Bisschopstraat waren vrij klein, sommige in feite maar een huisje met aan de achterkant een stal. Op de hoek van de Schapensteeg stond het boerderijtje ter grootte van 147 m2 (huis en erf)  van Harm ‘koesien’ Driezen (1881-1951), die in 1912 was getrouwd met Marrigjen Boes (1883-1965), zus van Klaas ‘de dreuge’ uit de Kerkstraat (nu bakkerij Houtsma) en Jan ‘suker’ Boes uit de Putsteeg. In 1964 werd het door de erven verkocht. Het pand had nog vier opeenvolgende eigenaren voordat het in 1972 werd afgebroken. De boerderij is gebouwd in 1851 voor Jan Arriens Dikken (1802-1879) die de kavel kreeg uit de erfenis van vader Arrien Hendriks Dikken (1770-1822), die boer was in de Leeuwte, en moeder Evertje Bruining (1766-1851). Vermoedelijk kwam het uit de familie Bruining. Dochter Annigje Jans Dikken (1837-1914) was getrouwd met de jong gestorven landbouwer Riekent de Lange (1835-1877), haar broer Arrien was boer aan de Groenestraat. In 1881 verkocht Annigje, ze was toen een weduwe met twee jonge kinderen, de boerderij aan Derk Driezen (1855-1919). Die was toen boer aan de Landpoortsteeg naast haar broer. Derk en zijn vrouw Hendrikjen Morre (1856-1927) – een achternaam die we nog een paar tegenkomen aan de Visserstraat en H. Geeststeeg, vonden in zoon Harm en zijn vrouw opvolgers. Zoon Jan ‘van Kriente’ werd eerst knecht bij Derks zwager Gerrit Jan Roebers achter het voormalige St. Anthoniegasthuis (hoek Gasthuissteeg – Visschersstraat) en nam later die boerderij over. De familierelaties worden steeds ingewikkelder, maar tonen wel aan dat een boerderij niet zomaar in de handen van een buitenstaander overging!

Prins

De familie Prins, al eerder genoemd, was op wel vier stadsboerderijen in Vollenhove vertegenwoordigd. De oudste bekende telg, Steven Prins (1745-?), getrouwd met Geesje Kwast, was ‘herenknecht’. We komen steeds afwisselend de naam Steven en Jan tegen, en als zijtak Bart of Barteld.

Bisschopstraat 43, nu een woonhuis maar daarvoor ook bloemenzaak (Lok, Halma), was de boerderij van Jan Bartelds Prins (1880-?) en Annigje Kwast (1884-1958). Zij was een kleindochter van boer Kwast aan de Landpoortsteeg en Annigje Prins (!). Ze trouwden in 1911 en betrokken eerst de boerderij aan de Vismarkt (tegen het goor), uit de familie van haar moeder – zie verderop.  In 1918 werd de boerderij aan de Bisschopstraat gekocht, die tot 1916 in handen was van de erven Willem Morre (1825-1882) en Aaltje Apperlo (1831-1916). Hun dochter Reintje (1870-1933) woonde kort bij haar ouders in met haar man Hendrik Derks Zelhorst (1864-1924), landbouwer. Ze verhuisden naar Bentstraat 231 – een heel klein boerderijtje achter op het voormalige terrein van Westerholt - en rond 1904 naar de Doelenstraat. Mogelijk bleven zij de boerderij, waar moeder tot haar dood bleef wonen, gebruiken.

In 1875 had Willem Morre de boerderij gekocht van timmerman/aannemer Teunis Spit, die de kavel en een extra stuk had gekocht in 1862 van de erven Jacob Bergkamp die zelf geen boer was maar voor zijn kinderen vermoedelijk boerderijen in de stad kocht (zie ook helemaal in het begin van dit artikel: de boerderij aan de Voorpoort). Tot zijn huwelijk was Willem Morre boer in de Gasthuissteeg, en daarna in de Landpoortsteeg. De familie Zelhorst was praktisch zijn buurman… Frappant dat kleindochter Gerrigjen Zelhorst (1892-1955), hier geboren, in 1913 getrouwd met Cornelis Westhuis (1888-?), in 1916 met haar man naast deze boerderij gaat wonen.

Westhuis, de laatste stadsboer in VollenhoveWesthuis

Dat huisje, en ook het huisje daar naast, was gebouwd in 1865 door timmerman/aannemer Jan Jacobus IJspeert voor respectievelijk landbouwer Lambert Elferink (broer van Stijntje de stovenzetster)  en boer Harm Willems Huisman (1820-1894). Cornelis kon in 1961 ook het rechter huisje kopen van Derk ‘de kluit’ Post uit de H. Geeststeeg die het in 1946 van zijn ooms Zelhorst had gekregen. Beide huisjes hadden een stal aan de achterkant. Ze werden jarenlang gebruikt door zoon Willem ‘de keuter’ Westhuis (1922-2013). Hij werd door Vincent Erdin in een krantenartikel in 2012 ‘de laatste stadsboer’ genoemd, hij is in ieder geval de laatste boer die men in de Bisschopstraat lopend met koeien over de weg zag gaan. Niet fijn voor de buren, die moesten dulden dat ‘Willempien’ door hun tuinen – wel in de herfst! - en dan door ‘de Grote Gank’ (het ‘Poepengankie’ was te smal) de mest afvoerde. In 1970 werden de huisjes door brand verwoest, vermoedelijk aangestoken door een toen actieve pyromaan. De treurige overblijfselen, waar geen familielid als erfgenaam de vingers aan wilde branden, werden op jarenlange aansporing van de bevolking van Vollenhove pas onlangs verkocht en afgebroken. 

De priester en de paus: vlak bij elkaar

Aan de overkant waren nog drie boerderijtjes naast elkaar, waarvan de oudste zou dateren uit 1735 volgens de gevelsteen die bij de verbouwing tot woonhuis, in 1983, werd gevonden in de tuin. De hierboven genoemde Willem Westhuis speelde hier van 1947 tot 1957 een ondersteunende rol als hulp van de jong weduwe geworden Aaltje Zelhorst (1901-1983), zijn tante. Ze was in 1939 getrouwd met boer en wethouder Gerrit Jan Roebers (1904-1947). Er waren in die tijd drie naamgenoten in Vollenhove, uiteraard familie van elkaar. Een bijnaam is dan wel zo handig, deze werd ‘de priester’ genoemd vanwege de hoed met grote rand die hij vaak droeg, bijvoorbeeld bij het ‘Pinksterrijden’ waar hij kort na de oorlog het initiatief voor nam en dat nog steeds in dezelfde vorm jaarlijks door de 4 V’s wordt georganiseerd. Achter het huis was de schuur met zo’n tien koeien, wat varkenshokken en de mestvaalt. Aan de achterkant grensde het terrein aan dat van boer Jan ‘van Kleuze’ de Vries aan de Groenestraat. In 1910 werd de oorspronkelijke arbeiderswoning verbouwd tot boerderij voor Wicher Herman Roebers (1873-1939) en Gerrigje Post (1873-1931). De oudste eigenaar die ik kon vinden was Peter Schaart (1732-1816), ‘daghuurder’, nu noemen we zo’n boerenknecht een ZZP-er.

Bisschopstraat ter hoogte van Roebers, derde huis links is de boerderij van WesterbeekBisschopstraat ter hoogte van Roebers, derde huis links is de boerderij van Westerbeek.

Hiernaast was het boerderijtje van Gerrit Dierkes (1874-1953), vervener en veldarbeider, wiens erven het in 1959 aan de ruilverkaveling verkochten waarna het werd afgebroken.  Tot 1902 was het eigendom van veehouder Teunis Hendriks Belt (1851-1926) wiens ouders (NB: vader Hendrik overleed in 1865) de helft van de lange kavel die tot aan de Groenestraat liep in 1866 van achterbuurman Herm Post kochten en er een huis op bouwden.

De derde in deze reeks was de boerderij van ‘de paus’ Willem de Boer (1892-1940), in feite visser, uit een Schokker geslacht en ‘nog roomser dan de paus’. Hij was getrouwd met boerendochter Theodora Westerbeek (1892-1967), kort ‘Do’. Vader Johannes Westerbeek (1844-1922) was getrouwd met Jannetje Karel, geboren op Schokland, en eigenaar vanaf 1874, toen de erfenis werd geregeld van koperslager Franciscus Westerbeek (1800-1868). Die had de tuin naast zijn huis in 1852 had gekocht van de erven Jan Prins. Zoon Baldewinus begon daar met de boerderij, die in 1960 plaats maakte voor een nieuwe woning voor een familielid.

Kerkstraat

Bij het Armhuis (1681-1910) in de Kerkstraat, op de plaats waarvan in 1915 bejaardentehuis ‘Avondrust’ werd gebouwd, hoorde ook een boerderij. Al in 1811 werd deze boerderij genoemd, die een beetje naar achteren op de kavel richting het stadsgoor stond. Op de onlangs opgedoken luchtfoto uit 1935 is het dak van de boerderij goed te zien, evenals het daar achter staande washuis met de bleek, waar het wasgoed op lag. De boerderij werd afgebroken in 1949. De eerste telg van de boerenfamilie Zelhorst, met drie boerderijen hierboven beschreven, trouwde in 1826 in Vollenhove en werd ‘vader’ van het armenhuis – waarbij hij ongetwijfeld met name de leiding had over deze boerderij. Hij woonde schuin tegenover het Armhuis, maar had vanaf 1862 een huis – vermoedelijk een stadsboerderij – verderop in de Kerkstraat, het 17e eeuwse pand waar nu dierenpeciaalzaak Tanagra in gevestigd is. Daar woonde vanaf 1866 zijn zoon Derk (1835-1883) met zijn vrouw, boerendochter Gerrigje Paalder die daarvoor op de boerderij van (schoon)vader Paalder aan de Bisschopstraat woonden. De kavel liep tot aan de Doelenstraat, en was van 1852-1862 van veehouder en winkelier Jan Alberts Rook. Aan de achterkant werd in 1899 een (nieuwe) schuur gebouwd door Hendrik Derks Zelhorst (1864-1924), in 1894 getrouwd met boerendochter Reintje Willems Morre (1870-1933). In 1937 werd het pand aan de Kerkstraat verkocht aan winkelier en buurman Kruider.

Op het huidige adres Kerkstraat 60 was ook een stadsboerderij – naast het huis waar ‘armenvader’ Toon (of Teunis) Zelhorst woonde. Dit pand was begin 19e eeuw van veehouder Dirk Jans Frantzen (1765-1832), van 1842-1879 van veehouder Willem Leenderts de Olde (1804-1878) en van 1879-1931 van diens dochter Margje (1838-1931) en haar tweede man (1874), landbouwer Hendrik Lassche. De volgende eigenaar, metselaar Wolter de Lange, zal de boerderij grondig hebben verbouwd tot woonhuis. De naam Frantzen kan mogelijk nog eens worden verbonden met het ‘Franse Pad’, mogelijk het ‘Frantzenpad’ van de ‘grindweg’ naar diens land in de Benten? Frantzen was overigens ook eigenaar van de kavel aan de overkant van de Kerkstraat, naast het Armenhuis, tot aan het stadsgoor. De patriciërsfamilie Frantzen was er één van drie opeenvolgende generaties organisten, de oudst bekende Jan Harmen (plm. 1665-1704) was herbergier van logement ‘De Schoole’ in de Kerkstraat (waar nu nummer 34 is).

boerderijen op de splitsing Kerkstraat-DoelenstraatDan twee voormalige stadsboerderijen die nog een beetje als zodanig te herkennen zijn: op de scheiding van Kerkstraat en Doelenstraat, het ‘Hollandse Plein’ – een oude, maar geen officiële naam. Het zijn nu de panden van bakkerij Houtsma, die daar in 1951 begon. Wat nu de winkel is, was bijna honderd jaar een stadsboerderij. Gebouwd in 1852 door Willem van Nierop (1789-1866), afkomstig uit Loosduinen en vanaf 1826 boer op het ambt,  bouwt de boerderij in 1851, mogelijk voor zoon Albert (1823-?). Hij woonde vanaf 1857 op dit adres, als weduwnaar sinds 1838 met vier kinderen. Zoon Albert kocht vervolgens in 1858 een boerderij even verderop aan de Doelenstraat. De ‘oude’ boerderij wordt verkocht aan Klaas  Klaasen Boes sr (1839-1924) in diens trouwjaar 1873. In 1906 worden de drie zoons Klaas ‘de dreuge’ (1873-1956), Jan Marten ‘suker’ (1875-1977) en Johannes ‘de doper’ (1878-1966) eigenaar. Klaas ging in 1929 naar een boerderij aan de binnenhaven, kleinzoon Klaas Boes ‘de kleine van de dreuge’ (1906-1992) wordt kruideniersbediende bij buurman Soeters en woonde sinds zijn huwelijk in 1935 met Hendrikje Heite (1906-1956) in het pand er naast. Ook dat was een stadsboerderij, vanaf 1838. Vanaf dat jaar woonde en werkte hier landbouwer Willem Israël (1800-1873), en daarna zoon Jan Israël (1832-1891), landbouwer en visventer, tot 1880.  Christiaan Horselenberg (1850-1933), arbeider / boerenknecht en lantaarnopsteker kocht het boerderijtje en verkocht het in 1897 aan Klaas Klaasen Boes sr (1839-1924). In 1958 veranderde het pand officieel van bestemming: eigenaar (sinds 1953) Houtsma verbouwde het tot portiek/automatiek.

boerderij van Lassche, nu terras van De DoppeHet Hollandse Plein werd in 1960 een stuk groter door de sloop van de stadsboerderij van Willem ‘de duit’ Lassche (1885–1965), ook wel ‘taaipuppien’ genoemd. Bij de sloop bleek de buitenmuur gedeeld met het naburige pand, dat toen werd verbouwd tot ijssalon door de familie Post. Er moest toen worden gewacht tot er een nieuwe muur was gezet, tegenwoordig de buitenmuur van café De Doppe. Het was vermoedelijk sinds 1878 een boerderij (daarvoor was het een grutterij), tot 1922 eigendom van baron Sloet van Marxveld, maar onduidelijk is wie er gebruik van maakte. De laatste jaren voor de verkoop aan landbouwer Willem Lassche in ieder geval geen boer. De laatste eigenaar, zoon Jacob (Jaap) Lassche (1919–1973, veehouder) huwde in 1945 Geesje van Dalen (1920–2001). Jaap was de jongste zoon van Willem, die in 1909 getrouwd was met boerendochter  Willemina Jacobs Prins (1887–1939). Willem Lassche woonde daarvoor drie jaar op de boerderij naast de molenberg, even verderop, en tot 1919 in een boerderijtje aan de buitenrand van het oorspronkelijke terrein van havezate ‘Westerholt’, tegenwoordig de Doeveslag. Willems moeder was boerendochter Geertje Willems Morre (1858-1929). In 1959 ging het pand naar de ruilverkaveling.

Doelenstraat

Aan de noordkant van de Doelenstraat staat een nieuw pand, waarin men met enige fantasie een stadsboerderij kan herkennen. Op deze plaats stond tot 2013 de boerderij van Derk ‘Koessien’ Harms Driezen (1916-?), die er vanaf 1955 gebruik van maakte onder de voorwaarde,   dat ‘Marre van Buiten’, de weduwe van de vorige eigenaar levenslang gebruik mocht maken van de voorkamer. Harm Jan van Smirren (1881-1939), die evenals de hiervoor besproken stadsboer een paar jaar op de boerderij naast de molen had gezeten, was in 1911 gehuwd met  Marietje Janette Roebers (1881-?). Hij was eigenaar vanaf 1919, en ook hij moest levenslang vruchtgebruik toestaan, in dit geval van zijn tante Johanna Maria van Smirren (1848-1919) die de aankoop waarschijnlijk financieel mogelijk maakte. Overigens kwamen we  Harm ‘koessien’, de vader van Derk Driezen, al eerder tegen, in de Bisschopstraat. De oudste bekende gebruikers waren tot 1909 de landbouwer Peter Gerrits Post (1829-1908) en daarvoor zijn vader Gerrit Hermens Post (1799-1874).

Aan de zuidkant van de Doelenstraat zullen vroeger meerdere boerderijen hebben gestaan of een uitgang hebben gehad, zoals de eerder besproken boerderij van Zelhorst aan de Kerkstraat (nu Tanagra). In het huidige woonhuis van de gebroeders Pleiter is de boerderij van de oorspronkelijke gebruikers nog herkenbaar: landbouwers Hendrik (1799-1865) en Teunis Beld (1793-1869), tot 1866. Toen werd de doorlopende kavel    gesplitst in een deel aan de Kerkstraat voor Jacobje Beld en aan de Doelenstraat voor Teunis Beld (1851-1926). In 1925 werd het verbouwd door Jacob Hendriks van Benthem, veehandelaar (1895-1975).

Even verderop, waar de Doelensteeg uitkwam op de Doelen en daar de Doelenstraat kruiste, aan de rand van de stadsgracht, stond de boerderij van ‘rode Wimpien’ Huisman tot de sloop in december 1969. Een boerderij waar geen enkele foto van bekend is! Hij was niet de laatste gebruiker en is zelfs geen eigenaar geweest! In 1955 kocht  Albert ‘de weke’ van Benthem (1920-1980) de boerderij van de familie Kwast, de bakker van de Voorpoort. Hij was in 1946 getrouwd met Lupje van Egten (1922-2004) en woonde er van 1956 tot de ruilverkaveling in 1964. Vanwege het hoge kindertal, maar liefst twaalf stuks, zou de andere bijnaam ‘de kleine winst’ zijn ontstaan. Ik opper een andere mogelijkheid: Albert’s vader, voor de tweede maal getrouwd, stierf op 28-jarige leeftijd. Albert’s moeder was toen twee maanden zwanger en noemde haar kind mogelijk ‘de kleine winst’. Voor Albert boerde hier Willem Huisman (1906-?), gehuwd met Jansje Zelhorst (1907-1990), nicht van Toon en Jan ‘de Krulle’, ‘Pia’ bij de Voorpoort was haar oom. Willems vader Stoffel kwamen we tegen in deel 1 aan de Bentstraat (nu Prevent). Willem Huisman vertrok naar Canada. Maar ook de hiervoor genoemde Derk Driezen zou er korte tijd geboerd hebben. Tot 1923 waren Harm en Jan Klaasen de Vries (1889-?) eigenaar, tot ‘Jan van Kleuze’ naar de hierboven besproken boerderij aan de Groenestraat ging en de boerderij verkocht aan bakker Kwast. Hun vader Klaas Harmen de Vries (1851-1901) kocht het pand in 1887 van Willem van Nierop (1852-1911), die gehuwd was met de op Schokland geboren Jannetje Jans de Boer (1855–1906). Hij kreeg het van zijn vader Albert van Nierop (1823-1888), die er in 1858 introk en daarvoor met zijn vader Willem de hiervoor beschreven boerderij aan het Hollandse Plein had, nu bakkerswinkel van Houtsma. De rooms-katholieke familie Van Nierop vertrok naar Echten en kwam uiteindelijk terecht in Haule, zie hiervoor ‘Schokker Portretten’ van Bruno Klappe. De oudst bekende eigenaren waren Jan de Olde (1793-1858) en zijn vader Leendert Jans de Olde (1759-1834).

Aan de huidige straat Molenberg, die op de plek ligt van de voormalige stadsgracht, staat het voormalige boerderijtje van Dierkes, bijnaam ‘de platte’. Hendrik Hermanus Dierkes (1902-?) trouwde in 1931 met Geertje Kwakman (1906-?) en betrok toen dit boerderijtje, dat oorspronkelijk behoorde tot het complex van de molen, die in 1938 werd afgebroken. Van 1919-1922 woonde hier Willem Lassche, die naar het Hollandse Plein trok zoals hiervoor is vermeld, en van 1912-1919, vanaf zijn huwelijk Harm Jan van Smirren (1881-1939) die zoals hiervoor beschreven naar de Doelenstraat trok. Daarvoor woonde hier nog molenaarsdochter Hillegonda Beens (1869-1945), die in 1913 naar Enschede verhuisde. Toen ze 16 jaar was verhing haar vader, molenaar Philippens Beens (1814-1885) zich in de molen die pas in 1898 werd verkocht, aan slager Heetebrij – vermoedelijk als belegging. Het huis was gebouwd in 1846. Een jaar daarvoor was de molen overgenomen van Hendrik Wolters de Lange, grutter, molenaar vanaf 1833. Hij kocht de molen en bijgebouwen van Hendrik van der Linde (1783-1849), die als boer verder ging in de Bisschopstraat (huidige nummer 30).

Vissersbuurt

Resten van het Resten van het St. Antoniegasthuis?St. Antoniegasthuis?

Aan de Gasthuissteeg, op wat nu het parkeerterrein aan de Gasthuisstraat is, lag het Sint Anthonie Gasthuis. Dat fungeerde van de 15e eeuw tot aan het einde van de 18e eeuw als wat men nu een verzorgingstehuis zou noemen. Het werd voor het eerst in 1445 genoemd als proveniershuis, een instelling waar bejaarde lieden zich inkochten voor levenslange verzorging.

In 1740 werd het besturende gilde opgeheven. Het gebouw was al erg vervallen, en bekeken werd of er met weinig kosten van enige kamertjes twee, drie of meer woningen zouden kunnen worden gemaakt.

In het midden van de 19e eeuw was een gedeelte van dat pand nog intact. Daarin werd een boerenbedrijf uitgeoefend. Het gaat hier om de boerderij van veehouder Jacobus IJspeert (1754-1834). Op een foto uit het midden van de vorige eeuw, gemaakt op de hoek van de Gasthuissteeg en de Visserstraat, is aan het oude metselwerk af te leiden dat het hier vermoedelijk nog om een restant van het middeleeuwse gasthuis ging. De begrenzing van het oorspronkelijke terrein is te herkennen op de eerste kadasterkaart uit 1832. De zoon van IJspeert werd timmerman, het terrein werd gesplitst en schuin achter het pand ging boerenzoon Willem Morre verder met het boerenbedrijf. Dat werd formeel eigendom van zijn zus Geertje (1832-1858), zij trouwde in 1854 met Hendrik Roebers (1825-1876), zoon van de allereerste Gerrit Jan Roebers in Vollenhove. Hun zoon Gerrit Jan (1855-1895) was pas drie toen ze overleed, maar kreeg toch de boerderij op naam. In 1877 trouwde hij met Krientjen Driezen (1853-1913), een jaar na het overlijden van zijn vader, zij kreeg de helft. In 1884 werd er een nieuwe boerderij gebouwd, een jaar later een stal en een schuur. Ze kregen geen kinderen.

In 1899 kwamen boerderij en achtergelegen tuin in handen van de halfbroer van Krientjen, Jan ‘van Kriente’ Harms Driezen (1870-1943), landbouwer in de Visschersstraat. In 1943 werden de boerderij en tuin verkocht aan achterbuurman Gerrit Jan ‘de scheuper’ Roebers, verre familie van zijn halfzus. Het pand werd in 1944 gesloopt, in 1950 kreeg het terrein een andere bestemming en in 1953 werd het samengevoegd met het achterliggende terrein aan de Gasthuissteeg.

De boerderij van ‘de scheuper’ op de hoek van Kerkstraat en Gasthuissteeg kwam in de plaats van een ouder pand, dat toebehoorde aan heemraad en burgemeester Jacobson (1785-1869). Die woonde er tegenover, in de 17e eeuwse patriciërswoning met de twee klokgevels. Mogelijk was deze boerderij ook een soort ‘bouwhuis’. Boer Hendrik van der Linde (1816-1881) kocht het in 1870, maar zijn dochter was er al in 1852 geboren.

Schoonzoon Jan Willems Belt (1834-1921) kocht het in 1876, en verkocht het in 1901 aan landbouwer Peter Jurriens Spans (1863-1933), in 1898 getrouwd met Jantje Klaver (1861-1931). Hij bouwde er in 1904 een nieuwe boerderij maar vertrok in 1922 naar een boerderij aan de Haven (buiten de Stad, dus het Ambt). Onduidelijk is wie de boerderij vervolgens gebruikte, tot de verkoop in 1933 aan Gerrit Jan Roebers (1903-1975), die in dat jaar trouwde met Peters dochter Marrigje Spans (1899-1980). In 1959 werd het pand verkocht aan de ruilverkaveling en in 1961 werd het gesloopt.

Links de boerderij van Wicher ‘van Sam’ RoebersLinks de boerderij van Wicher ‘van Sam’.

Ook op historische grond stond de boerderij van Wicher ‘van Sam’ Roebers. In 1868 kocht landbouwer Jan Geuje Ziel (1795-1890), geboren op de boerderij bij Tweenijenhuizen, een kavel van het Hervormd Burger Weeshuis. Dat was inmiddels aan de Kerkstraat gevestigd, maar zat tot 1867 aan de Visscherstraat. Het weeshuis op die plek was al in de 16e eeuw gesticht, tegenover het Sint Antoniegasthuis. Er hoorde ook een stal bij het weeshuis, waar in 1795 paarden van de dragonders van het Fort in werden gezet. Misschien was de stal de basis van de boerderij van Ziel, waar in 1835 zoon Geuje werd geboren. In 1860 en 1868 werd er ge- en verbouwd. Jan Prins, landbouwer, kocht de boerderij in 1903 van Jans dochter Jantje Ziel (1831-1917), weduwe van landbouwer Hendrik Klaassen Dekker (1831-1891), wiens kinderen in de Visschersstraat werden geboren.

Jan Jans Prins (1884-1918) kocht de boerderij als 19-jarige. Hij stierf jong en ongehuwd. Zijn zus Hendrikje Jans Prins (1881-?) trouwde in dat jaar met Herman Gerrit-Jans Roebers (1877-1952). Vermoedelijk heeft dit echtpaar de boerderij gedreven, mogelijk met hulp van Jan. Al vijf jaar later komt de boerderij formeel in handen van Roebers. Opvolger na het overlijden van Herman is zoon Wicher Herman (1911-?), ongehuwd, geen kinderen. Hij ging in 1961 vanwege de ruilverkaveling naar een nieuwe boerderij aan de Laan van Toutenburg.

Iets verderop in de Visschersstraat stonden aan de rechterkant de boerderijen van Willem ‘de Hengst’ en Harm Ziel, later verenigd tot de boerderij van Roelof ‘Oepien’ Smit (1888-1967, had verderop eerder een boerderij) maar oorspronkelijk één boerderij van Harm Jans van der Linde (1790-1843) en Hendrikje Boxum (1792-1874). Van de 13 kinderen waren er 8 jongens, de boerderij werd gesplitst voor twee van hen.

In 1906 kocht Barteld Prins (1852-1926), gehuwd met Jentien van Egten (1856-1947), de boerderij aan de westkant. Vanaf 1928 woonde hier Harm Ziel (1896-?), in 1921 getrouwd met Barteld’s dochter Geertje Prins (1895-?). Vanaf 1947 was Roelof Smit de eigenaar, hij was getrouwd met Bartelds dochter Elisabeth. In 1951 werd er gebouwd en in 1953 werd het herenigd met de naastgelegen kavel (oostkant van de oorspronkelijke boerderij). Vruchtgebruiker daarvan was Jan Willems de Oude (1843-1888), landbouwer, en Grietje Kolk (1843-1926). Zij was in 1885 als huishoudster uit Blankenham gekomen, en stond later als landbouwster te boek. In 1926, dus direct na het overlijden van Grietje Kolk, werd de kavel verkocht aan dienstbode Aaltje Jans Israel, tot dan wonend in Den Haag. Haar grootvader Willem was landbouwer (zijn boerderij is nu de bakkerij van Houtsma, rechts naast de winkel), vader was visventer. Haar broer Willem ‘de Hengst’ Israel (1871-1955), oorspronkelijk visventer, woonde volgens het bevolkingsregister met zijn vrouw tot haar overlijden in 1935 ook op dit adres, met daarnaast in het linker deel van het huis Grietje Kolk, tot haar overlijden. Na het overlijden van Aaltje in 1941 werd het pand verkocht aan A.C. van Dongen, een landbouwer die uit Alphen aan de Rijn was gekomen om zijn geluk in de Noordoostpolder te beproeven. In 1951 werd het verkocht aan buurman Roelof Netterts Smit, landbouwer, die het huis sloopte.

Jan ‘de Krulle’ Zelhorst in de Van BaaksteegJan ‘de Krulle’ Zelhorst in de Van Baaksteeg

Om de hoek, aan de Van Baaksteeg (ooit Morriaansteeg: vernoemd naar landbouwer Morre?) stond de boerderij van Teun Zelhorst. De kavel liep oorspronkelijk tot aan de Kerkstraat, en was van Johannes Calkoen (1760-1826), stadssecretaris, griffier en burgemeester. In 1847 werd een groot stuk verkocht aan Harm Keessen Post (1786-1861), landbouwer in de Barsbeek, raadslid en wethouder. Hij bouwde hier een huis, mogelijk voor zijn dochter Jentje (1813-1870) en schoonzoon Anthonie Gerrits Greve (1808-1866), boerenzoon. In 1851 werd het echter al doorverkocht aan belegger Van Gulik, want Anthonie en Jentje gingen toen verder in de Barsbeek. Lucas van Gulik (1824-1904), bakker en belegger, splitste de kavel. Het grootste stuk was voor een huis, stal en tuin. Onbekend is wie de gebruiker was tot aan de verkoop in 1904. Landbouwer Teunis Zelhorst (1860-1933) kocht toen een deel, de rest ging in 1907 naar de Gereformeerde Kerk die op de hoek van de Kerkstraat werd gebouwd. Teunis was de broer van Harm Jan en Evert Jan, die hun boerderij in het begin van de Bisschopstraat hadden (nu Heetebrij). In 1935 trouwde zoon Jan ‘de Krulle’ Zelhorst (1906-?) met Roelofje de Oude (1907-1949) en kreeg de boerderij. Hij kon in 1939 grond van de buurman kopen, de Gereformeerde Kerk, om een stuk aan de boerderij te bouwen. In 1967 ging het naar de gemeente die de boerderij in 1969 liet slopen. Jans broer Toon ‘de Krulle’ had zijn boerderij in de Bisschopstraat, bij de Kerksteeg.

Twee panden van de hoek van de Vismarkt af stond links de boerderij van Roelof ‘Oepien’ Smit (1888-1967). Roelof kwam in 1914 uit Hengelo, was daarvoor twee jaar koetsier en later voerman en landbouwer. Hij was in 1910 getrouwd met boerendochter Elisabeth Bartelds Prins (1892–1979), haar vader en haar broers Steven en Jan waren ook stadsboeren in Vollenhove. De laatste eigenaar, van 1953-1969, was Gerard ‘de poelier’ Winter (1921-1978),  kokosmattenfabrikant, getrouwd met Roelofs dochter Aafje (1921-2002). Het huis en de schuur werden gesloopt in 1970.

De boerderij is als zodanig in gebruik geweest bij Roelof Smit van 1926-1953 en daarvoor door de familie Harsevoort van 1893-1926. Op de kavel, waar oorspronkelijk een visser woonde, werd in 1894 een nieuw huis met bijgebouw gebouwd door landbouwer en aannemer Geerhard Harsevoort (1831-1901), die een boerderij had op de hoek Bentstraat / Canneveltstraat. Vermoedelijk voor zoon Jan (1874-1946), maar die ging in 1905 naar Purmerend als bezemhandelaar. De jongste zoon Albert (1856-1919) is hier vermoedelijk verder gegaan, en diens zoon Gerhard (1889-?) boerde hier tot minstens 1923. Hij vertrok in 1926 naar Amsterdam. Het pand werd toen opgeknapt en doorverkocht door aannemers Dragt en Driezen aan Roelof Smit.

In de Heilige Geeststeeg staat een pand, dat nog herkenbaar is als vroegere boerderij. Het is ook nog niet zo oud. In 1972 is het pand verbouwd, evenals in 1941. Het perceel ontstond in 1915 uit een gesloopte bokkinghang en drie gesloopte vissershuisjes. Er werd een boerderij gebouwd, waar Harm Peters Post (1869-1937), landbouwer, met zijn gezin ging wonen. Hij was in 1906 getrouwd met Johanna Derks Zelhorst (1874-1959). Het lijkt er op dat vanaf 1939 tot hun emigratie naar Canada hier Willem Huisman en Jansje Hendriks Zelhorst (Johanna was haar tante) met hun kinderen woonden, afkomstig van de boerderij aan het einde van de Doelenstraat. De laatste boer was Harms zoon Derk ‘de kluit’ Post (1907-1975?). Hij was een neef van Toon en Jan ‘de krulle’ Zelhorst, ‘Pia’ en zijn broer waren ooms.

De boerderij van Prins, daarvoor OldenhofAan het einde van het tegen het stadsgoor doodlopende stuk van de Vismarkt stond een grote boerderij. In Vollenhove bekend als die van Steven ‘van Bart’ Prins. De boerderij was in 1855 gebouwd op een kavel die voorheen van arbeider Klaas Dikken was, door Christoffel Jans Oldenhof (1828-1905), visser en later landbouwer. Hij trouwde in 1850 met Harmpje Stoffers Vis (1829-1900). Zijn vader – overleden toen Stoffer 2 jaar was - boerde in de Barsbeek, grootvader was bakker voor de Landpoort. De boerderij werd voor een deel door brand verwoest in 1865. Oldenhof kreeg negen kinderen, van wie vijf zoons. Slechts twee zoons overleefden hun vader. In 1870 overleed Peter op 5-jarige leeftijd. Een ramp overkwam het echtpaar opnieuw in 1883, toen Stoffel (toen 20) met zijn jongere broer Berend (toen 15) koeien moesten redden tegen opkomend water, bij de Duin tussen Vollenhove en Blokzijl. Beiden verdronken. In de Visschersstraat ontstond hieruit een gezegde bij kleine ‘rampen’: ‘Here, Here, red mien bruur Berend’. Het was uiteindelijk jongste kind Peter (1871-1918) of Piet, in 1896 getrouwd met Vrouwkje Jans Hoefman (1875-1964), die de boerderij overnam. Hij vertrok met zijn vrouw in 1911 naar Hengelo. Als bewoners van de boerderij vinden we dan Jan Bartelds Prins (1880-?), in 1911 getrouwd met Annigje Kwast (1884-1958), Piet Oldenhof was haar oom. Moeder Trijntje Drok (voornaam!) Oldenhof was winkelierster in de Landpoortsteeg, getrouwd met koetsier en later winkelier Jan Harms Kwast – ook uit een boerenfamilie. Hij woonde er tot 1925.

De boerderij van Prins, daarvoor Oldenhof (zie ook de foto bovenaan dit artikel). Voorkant van de boerderij aan de Vismarkt in 1960

Vanaf 1928 vinden we op dit adres broer Steven (1888-1986), ‘Steven van Bart’ die uit de Leeuwte kwam, in 1917 getrouwd met Jentje Driezen (1893-1975). Hun vader Bart was boer in de Bentstraat, waar nu ‘Prevent’ is gevestigd. Steven Prins gebruikte de boerderij vanaf 1928 tot zijn zoon Gerrit (getrouwd met Jentje Vis) het overnam, vermoedelijk in 1954. Steven verhuisde toen naar de Kerkstraat, naast Van Doesburg, en had toen tot 1958 de boerderij in de Putsteeg, mogelijk alleen als varkensschuur. Gerrit vertrok naar de Noordoostpolder, vermoedelijk in 1958 vanwege de ruilverkaveling. Boer Dedden uit de Leeuwte woonde hier vervolgens nog anderhalf jaar als ‘tussenstation’ naar de Noordoostpolder.

 

De gegevens voor dit artikel zijn met de grootste zorgvuldigheid verzameld uit het bevolkingsregister, de burgerlijke stand (vooral via de website Gezinsreconstructies Ambt- en Stad-Vollenhove van Guus Nijhuis), het kadaster en uit gesprekken met Klaas Boes. Aanvullingen en correcties kwamen via enkele presentaties in het Stadsmuseum van toehoorders. Wie alsnog fouten meent te bespeuren of aanvullingen heeft, wordt van harte uitgenodigd deze bij mij aan te geven.