In de nacht van woensdag op donderdag 24 januari 1884 wakkerde de wind zodanig aan, dat de omstandigheden begonnen te lijken op die van 1825, toen diverse dijkbreuken zorgden voor een grote overstroming in deze regio. Tussen Kuinre en Zwartsluis werden de dijken goed in de gaten gehouden. Het water in de Zuiderzee steeg snel, in een uur 30 cm, tot 1 meter 20 aan toe en sloeg zelfs hier en daar over de inmiddels verhoogde zeedijk bij Blanken-ham heen. Het hoogwaterkanon aldaar vuurde diverse waarschuwingsschoten af. Tussen 11 uur ‘s avonds en 4 uur ’s morgens beleefde men een span-nende tijd.
Diverse kranten beschreven enkele dagen later de schade, die tot in de verre omtrek was ontstaan. Schepen op zee die in de problemen waren gekomen, omgewaaide bomen, ingestorte schuren maar gelukkig geen dijkdoorbraak. In Vollenhove waren vijf vissersschuiten van hun touwen losgebroken en over de zeewering op het land gesmeten, in de buitenhaven. Ook was een praam met mest, de ‘Vrouw Jantje’ van Teunis Jongman uit Zwolle bij de Voorst gestrand, op weg van Amsterdam naar Hoogeveen. Gelukkig leverde dat weinig schade op.

In die tijd werd de situatie in de Vollenhoofse vissershaven (de oude haven of Binnenhaven, in de voormalige slotgracht van het Fort) als gevaarlijk bestempeld, reden waarvoor plannen voor een goede en veilige haven werden ge-maakt. In april was al de aanbesteding en was er een bijdrage van provincie en rijk geregeld. In de zomer begon aannemer Aberson uit Steenwijk al met het werk. De vissers moesten toen uitwijken naar Blokzijl.

Volgens het onderschrift op het schilderij dat door de Vollenhoofse schilder (en blijkbaar ook amateur kunstschilder) Koop Drok werd gemaakt, waren het de vissersschuiten van de gebroeders Schuurman waar de krant over schreef.

Dat zijn vermoedelijk de zonen van visser Jan Simon Schuurman (1814-1896), telg uit een oud Vollenhoofs vissersgeslacht.
De oudste zoon Teunis (1843-1927) woonde later op het adres Haven 248, en had als bijnaam ‘de grote buter’ (vermoedelijk afgeleid van netten boeten). Dan had je Johannes (1845-1884), Steven (1847-1917), Pieter Jurrien (1849-1932), Klaas (1852-1926), Jan (1855-1927) en Hendrik (1865-1948). Hendrik’s kleinzoon Stoffer (1934-1989) zal het schilderij hebben geërfd, echtgenote Marrigje schonk het in 1993 aan de Oudheidkamer en zo kwam het bij het Stadsmuseum Vollenhove terecht.

Alle zeven broers waren visser. Opmerkelijk is dat er ook zeven schuiten op het schilderij staan. Mogelijk lagen ze vastgemaakt langs het havenhoofd tussen de brug over de haveningang en het baken. Het lijkt er op dat vijf van die schuiten door de noordwestenwind over het paalscherm of muur langs de Grote Kerk zijn geslagen. Er was toen nog geen bescherming van een dijk aan de noordkant, zoals die later werd aangelegd, en ook het havenhoofd zal toen nog niet zo hoog als tegenwoordig zijn geweest waardoor de wind vrij spel had.
De haven werd in 1884, ook al voor de storm, als onveilig betiteld. Mogelijk dat daarom de plannen voor verbetering zo snel werden uitgevoerd. Binnen enkele maanden was er 16.000 gulden van het rijk en ook 16.000 van de pro-vincie. Een aanbesteding werd gehouden en het werk voor 45.000 gegund aan aannemer Aberson uit Steenwijk. In de zomer van 1884 werd al met het werk begonnen. De vissers moesten uitwijken naar Blokzijl, en morden nog over het daar te betalen havengeld, waarvoor ze gecompenseerd wilden worden. De binnenhaven werd vergroot door het weggraven van een grote hap van het eiland waar het Fort had gestaan, tot bijna de nieuwe bebouwing aan toe. Enkele jaren later werd er een echte buitenhaven gerealiseerd met een verhoogd havenhoofd en een nieuwe, zware dijk aan de noordkant (1890).
De broers Schuurman bleven vissen, maar al rond 1900 trokken een paar broers naar het oosten voor de handel in vis. Nazaten en ook andere Vollen-hovenaren volgden rond 1927 naar plaatsen als Lonneker, Enschede en Bor-ne, toen ze werden ‘uitgekocht’ door de Zuiderzeesteunwet: het einde van de visserij in Vollenhove. Gelukkig zijn er nog foto’s van ‘Butertien’ op de VN76 en zijn neef ‘Hannes de buter’ van de VN80. Hendrik (1867-1942) was ‘de buter’ en voer op de VN23. Teunis Steven (1909-1987) vertelde over zijn leven als visserman aan Peter Dorleijn, schrijver van ‘Van gaand en staand want’ (zie deel 5). De meeste nazaten werden visser, maar één werd boer aan de Voorpoort. Een bekende nazaat is Teunis ‘PATS’ Schuurman (1950).