Jan Arent Godert de Vos van Steenwijk (1713-1779), drost van VollenhoveJan Arent Godert de Vos van Steenwijk werd op 30 november 1713 in de stad Vollenhove op havezate Nijerwal geboren als zoon van Jan Arent en Susanna Eleonora van Tuyll van Serooskerken. Zijn moeder hertrouwde na de dood van zijn vader met Rutger Andreas van Patkull. Dit huwelijk hield geen stand en werd in 1735 ontbonden. Jan Arent Godert overleed op 17 juni 1779.

Omtrent Jans jeugd en opvoeding is weinig bekend. Hij stond niet ingeschreven bij een hogeschool of universiteit. In 1725 overleed zijn oudere broer Reint en rustte op Jan de verantwoordelijke taak om het geslacht De Vos van Steenwijk voor uitsterven te behoeden. In 1733 werd hij bevoegd verklaard zijn goederen in Overijssel en Drenthe zelfstandig te beheren. Sommige Drentse edelen zagen in hem de toekomstige drost van de Landschap, maar Jan koos voor Overijssel. Hij liet zich daar in 1738 van zijn Vollenhoofse bezitting Nijerwal in de ridderschap verschrijven en begon in dit gewest zijn politiek-bestuurlijke carrière.

Gedurende de zomermaanden verbleef de familie op het huis de Havixhorst in De Wijk in Drenthe. Niet ver daar vandaan, op het Slot bij Meppel, woonde Otto Ernst Gelder graaf van Limburg Stirum met zijn gezin. Otto behartigde de belangen van Willem IV, die in Overijssel de verheffing tot stadhouder nastreefde. Jan trad in 1734 namens de prins op als doopheffer bij de doop van Otto's vierde zoon.

In 1739 zorgde een ernstig conflict tussen Jan en de drost van Vollenhove, Hendrik van Isselmuden, er voor dat de kwartierridderschap in twee facties uiteenviel. Jan was verliefd geworden op Geertruid Agnes van Isselmuden. Zij was een nichtje van de drost en stond onder zijn voogdij. Deze wilde toestemming voor het huwelijk geven, op voorwaarde dat Jan ten gunste van Geertruids broer zijn sollicitatie naar de bediening van een commissie zou opgeven. Jan ging hiermee akkoord, maar de aanstaande zwager was amper in de commissie bevestigd of Hendrik trok zijn belofte in. Daarop organiseerde Jan een 'cabaal' tegen de drost, dat door zijn stemmenoverwicht de commissie verdeling in de ridderschap naar zijn hand kon zetten en daarmee de drost vleugellam maakte. Daarna had Jan zijn Drentse buurman opgezocht en verzekerd dat hij en zijn kompanen de zaak van de prins zouden steunen. Sedertdien bestond er tussen Jan en Otto naast de gebruikelijke burenbeleefdheid een vriendschap, die door beiden om politieke redenen werd gecultiveerd. Voor het overbrengen van boodschappen maakten zij gebruik van personeel van de Havixhorst en het Slot (bij Meppel). Afgaande op de manier waarop Otto over Jan aan de prins schreef, werd de politieke vriendschap geleidelijk aan hartelijker en inniger. Beide families nodigden elkaar uit voor een visite, een diner of jachtpartij.

Jan had zijn liefde voor Geertruid vanwege de botsing met haar oom aanvankelijk opgegeven, maar in 1743 trouwde hij alsnog met haar. Van Limburg Stirum en zijn vrouw behoorden tot de speciale genodigden.

Jan had ondertussen zoveel aanzien en invloed in Vollenhove verworven dat hij geen rekening meer hoefde te houden met de sentimenten van de drost. Na zijn opmerkelijke actie in 1739 was Jan feitelijk de leider van de Vollenhoofse ridderschap geworden. Door zijn krachtdadig optreden en wellicht politieke sluwheid had hij ook buiten dit kwartier de aandacht getrokken en indruk gemaakt. Niet voor niets gebruikte Van Limburg Stirum voor hem de bijnaam van 'Ie Renard' (de Vos). Jan onderhield uitstekende contacten in Den Haag en behoorde daar tot de oprichters van de oranjegezinde Groote Sociëteit. Van 1740 tot 1753 had hij zitting in de Staten-Generaal of Raad van State. Toen de Staten van Overijssel in 1747 Willem IV aannamen als stadhouder, zat Otto's taak als bepleiter en wegbereider van de stadhouderlijke verheffing erop. Binnen het kwartier van Vollenhove had zijn 'ami Voss' in belangrijke mate bijgedragen aan de acceptatie van de prins. Hij werd daarvoor in 1751 beloond met het drostambt Vollenhove, ten koste van de kandidaat die door Hendrik van Isselmuden naar voren was geschoven. Begin juli van dat jaar hield het gezin De Vos van Steenwijk met groot ceremonieel vertoon zijn intocht in Vollenhove. 

De intocht van drost Jan Arend Godert de Vos van Steenwijk werd in de Nederlandsche Jaerboeken van 1751 verslagen:

'Zijne hoogwelgeb. den 5 dezer hooimaand te Kampen, alwaer de landdag thans gehouden word, den eed gedaen heb­bende, kwam na den middag van daer terug om zijne openbare intrede in deze stad te doen; en werd te Genemuiden reeds gecomplimenteerd door de twee jonge heeren H.D. ter Braek en ... Frantsen, welke ten dien einde van hier derwaert te paerd gereden waren. Vervolgens aen de Noord gekomen zijnde, trad Zijne hoogwelgeb. in een koets met vier paerden bespannen, terzijde van welke zich de bo­vengemelde twee jonge heeren met hun ontbloot zijdgeweer in de hand plaetsten, en ontmoette, voortgereden zijnde, aen de herberg de Krijger, een groot uur van deze stad, een compagnie van omtrent 30 jonge heeren uit deze stad te paerd, over welke de commando hadden de student G.J. ter Braek als kapitein, J.H. Frantsen als luitenant, Bremer als cornet en J. Oxenburg als adjudant, welke hunne saluade voor den nieuwen heer drost maekten en vervolgens de koets vergezelden tot aen de havezaet of lustplaets van Zijne hoogwelgeb., de Oldenhof genaemd, bij welke meer dan tweehonderd gewapende landlieden stonden, over welke de heer scholtus O.H. Molien als ka­pitein de commando voerde, aen twee reien gerangeerd, tusschen welke zijn hoogwelgeb. met zijn gevolg doorreed. De koets vervolgens voor de gem. lustplaets gena­derd zijnde, stapte zijn hoogwelgeb. uit dezelve om zijne gemalinne en twee zoontjes, welke hem aldaer opwachtten, te ontmoetten; en trad, een weinig vertoefd hebbende, met dezelve weder in de koets, wanneer de compagnie jonge heeren zich voor, en die der landlieden zich achter dezelve voegden, en de trein dus voortpasseerde. Ondertuschen was de burgerij dezer stad ook in de wa­penen gekomen, over welke de welede achtb. heer burgermeester mr. J. ter Braek als kapitein, de heer sekretaris mr, E.H. van der Poel als luitenant, de koopman A.H. Frantsen als vaendrig en de procureur L. van der Meulen als adjudant de commando hadden, en even buiten deze stad getrokken tot bij de havezaet de Rollekaet om Zijne hoogwelgeb. op te wachten, alwaer zij zich in twee reien schaerden; bij welke de drost gekomen zijn­de, vier in 't wit gekleedde kindertjes, zijnde twee jongetjes en twee meisjes, herders en herderinnetjes verbeeldende, zich paer aen paer terzijde van de ingang van de koets begaven en een herderslied opzongen, terwijl eenige andere maegden uit kolven bloemen bestrooiden. Zijne hoogwelgeb. reed dus tueschen de geschaerde burgers heen de stad in, terwijl de musikanten van het regiment zwitsers van den baron Ditfort, die bij de poort stonden, wakker Wilhelmus bliezen en telkens be­antwoord werden door den trompetter van de comp. te paerd die vooruit reed; acbter de koets volgde toen de burgerij met slaende trom en vliegende vaendel, en na deze op gelijke wijze de landlieden. Dus passeerde de trein de Achterstraet door tot voor het huis van de heer drost, alwaer zij landlieden ieder drie salvo's uit hunne musketten ter eere zijner hoogwelgeb. deeden. Daernaer marcheerde de burgerij de gantsche stad op en neder.en vuurde menigmael ten teken van hare blijdschap en vergenoeging, waerna zij eindelijk door de hoplieden plechtig bedankt werden door de blijken van achtinge die zij hunnen nieuwen drost betoont hadden. Aen den avond werden op het stadhuis een menigte van burgeren met wijn en andere ververschingen beschonken, die zich tot den volgenden morgenstond vrolijk maekten. Daegs daeraen hadden de meeste persoonen van distinctie de eer van den nieuwen drost te complimenteren, wanneer er een groote toevloed van menschen was en een bal ge­houden werd dat door mevrouwe de gemalinne van den drost met den hoogwelgeboren heer tot Lindenhorst enz. geopend werd en tot den volgenden morgenstond duurde. Den 8sten werden de landlieden enz. even buiten de stad op dezelfde wijze onthaeld als twee dagen tevoren de. burgerij getracteerd was op het stadhuis; en het een zoowel als het andere was met de uiterste vergenoeging en zonder eenig ongeluk geëindigd. Behalven deze vercieringen waren zoowel binnen als bui­ten de stad een menigte van kroonen en eerepoorten gemaekt, onder welke laetste één met een schild vercierd, op welke de wapens van den heer drost en zijne gemalinne fraei waren afgemaeld. Ook hadden verscheide burgers kroonen gemaekt die eerst onder trommelslag door de stad als in triomph omgedragen, vervolgens aen het huis van den heer drost gebragt en dan aldaer in de zael opgehan­gen werden.'

Na verloop van tijd kwam Jans verhouding met het stadhouderlijk hof onder druk te staan, doordat hij zich kon vinden in de denkbeelden die door Joan Derk van der Capellen in de Overijsselse Staten naar voren werden gebracht. Jan was met hem vóór afschaffing van de drostendiensten en stemde als enige uit de ridderschap tegen Van der Capellens uitzetting uit de statenvergadering in 1778. Overigens meenden sommigen dat zijn steun voor de afschaffing van de drostendiensten werd ingegeven door het financiële voordeel dat hij daarbij zou halen. Hem was namelijk een schadeloosstelling voor de afschaffing in het vooruitzicht gesteld, terwijl geen diensten in zijn ambtsgebied werden uitgevoerd. In de jaren die volgden scheurde de politieke natie langs de scheidslijn tussen voor- en tegenstanders van verandering en vernieuwing in tweeën. Jans zonen Joan Arent en Carel ontpopten zich daarbij tot voormannen van de patriotten in Overijssel en Drenthe. Hun vader maakte dat niet meer mee, maar deze heeft ongetwijfeld invloed gehad op de gedachtenvorming van zijn zonen, zoals hun studie mogelijkerwijs zijn politieke ideeën heeft beïnvloed. Bij zijn overlijden was de ridderschap opnieuw verdeeld. Eén van de eerste oogmerken van Jans opvolger Derk Bentinck was het herstellen van de eenheid in het kwartier.

Jan hield van stijl. Zijn inhuldiging als drost, waarvan in de Nederlandsche Jaarboeken verslag wordt gedaan, getuigt daarvan. Tijdens zijn bewind werd een nieuw ridderschapsgestoelte in de Grote of St. Nicolaaskerk van Vollenhove geplaatst en voorzien van bijbels. Waarschijnlijk ter gelegenheid van hun huwelijk lieten Jan en Geertruid zich door P. de la Croix portretteren. Jan werd daarbij als riddermatige op de traditionele manier, dat wil zeggen in harnas, afgebeeld.

Zijn financieel inzicht en enkele erfenissen stelden hem in staat het oude huis de Havixhorst te laten vervangen door een gebouw, dat aan de smaak van de nieuwe tijd voldeed. Door aankoop van de havezaten de Hogenhof bij Olst en Oldenhof bij Vollenhove (in 1776) had hij tenslotte voor ieder van zijn vier zoons een havezate in Overijssel of Drenthe beschikbaar en daarmee hun entree in een ridderschap mogelijk gemaakt.

Jans vrouw was in Vollenhove gedoopt op 16 november 1721 als dochter van Johan van Isselmuden en Theodora Margareta van Essen. Zij overleed aldaar op 18 september 1793. Uit het huwelijk werden tien kinderen geboren, waaronder Godert Willem die op de Oldenhof woonde, en Jan Arend de Vos van Steenwijk (1746-1813) - politicus en schrijver van o.a. een boekje over Vollenhove.

Js. Mooijweer, in: Overijsselse biografieën.

Bron: https://www.wieiswieinoverijssel.nl/zoekresultaten/p2/150-jan-arent-godert-de-vos-van-steenwijk