Johan Willem of Johann Wilhelm Weijs (van Weiss?) is op 24 augustus 1730 in Remlingen (Duitsland) geboren, en is overleden op 26 juni 1821 in Sint Jansklooster. Hij was toen timmerman, en getrouwd met Anna Barbara Winter. Veel van zijn nazaten werden timmerman en bleven in Sint Jansklooster. Hoe kwam deze Duitser in Vollenhove terecht?

Het antwoord vinden we in een bijlage bij zijn huwelijkspapieren. Het gaat om een ontslagcertificaat als dragonder. Met wat puzzelwerk wordt duidelijk, wat de komst van de dragonders in het najaar van 1749 voor Vollenhove betekende.

Drie dragonders te paard.

Het regiment dragonders, als onderdeel van de cavalerie opgericht in 1672, bestond uit twee eskadrons van elk 2 compagnieën met 45-100 paarden en 200 man die zich per paard verplaatsten maar te voet vochten – in tegenstelling tot de huzaren.

Generaal Casimir graaf Von Slippenbach (1682-1755) was lange tijd regimentscommandant.  Deze bezocht in 1749 zijn eenheden in garnizoen te Vollenhove, Steenwijk en Hasselt die zojuist waren overgeplaatst vanuit Arnhem, Wageningen, Elburg en Hattem. Hij was zijn baan eigenlijk zat en wilde met pensioen en was daarvoor al bij de Prins van Oranje (Willem IV) geweest maar die had het te druk. De graaf was in staatsdienst (o.a. Italië, en Spaanse successieoorlog) al een arm kwijtgeraakt en was ook doof geworden. In zijn autobiografie komt hij naar voren als een zeer muzikale charmeur, hij zong graag en bespeelde de luit. Als pensioen wilde hij 1000 dukaten, als compensatie voor zijn rechten op de leiding van het regiment dragonders.  Hij verkocht zijn rechten op een compagnie aan een kapitein op wachtgeld, mogelijk Arnoud van Hoey die op 22 november 1743 kapitein was geworden en – in Vollenhove – door Eberhard Philip Seidel (1728-1814) in zijn memoires bij zijn komst naar Vollenhove als majoor wordt beschreven.

Seidel was daar op uitnodiging van Hendrik Willem Haubach, van ca. 1736-1746 trompetter in Franse dienst, ca. 1746-1748 werkzaam als musicus aan het Duitse hof van de vorst van Solms – waar hij Seidel ontmoette. Vanaf ca. 1748 was Haubach verbonden als hoboïst aan het regiment dragonders van generaal Von Slippenbach dat toen volgens Seidel in Raamsdonk lag. Er zou een vacature als hoboïst zijn vanwege een duel.

In oktober 1749 kwam het regiment naar het noorden. Daarbij was dus ook een afdeling muziek met vijf hoboïsten – die overigens nog geen drie euro per maand verdienden (de dominee kreeg acht euro, de kolonel 135 euro). Ook ene Joan Adam Krom (1715-1780) behoorde daartoe.  Zijn afkomst is onbekend. Hij bleef in Vollenhove en trouwde met de Vollenhoofse bakkersdochter Trijntje of Johanna Claassen (1725-1799). Ze kregen in 1754 een zoon Michiel.  Ook wachtmeester bij de dragonders Casimir Frederik van Guldener (1728-?) trouwde in 1754 een Vollenhoofs meisje, Jacomina van Thijen (1729-1804). Op dezelfde dag werd hun zoon gedoopt…

 

Het Oldehuis van binnen, in 1786 door Hendrik Tavenier

Mogelijk betekende de reorganisatie van het regiment door het vertrek van de generaal ook het einde van de muziekafdeling. Haubach troffen we namelijk in een krantenadvertentie van 1754 aan, toen hij in Harlingen een concert gaf als zelfstandig musicus. In 1794 waren er overigens nog steeds drie regimenten met elk vijf hoboïsten, die toen ruim acht euro verdienden. De meeste eenheden hadden slechts één pijper per compagnie.

In 1750 werd Ditfourth benoemd als regimentscommandant. Vervolgens werd het regiment in 1752 gesplitst in een deel voor Massau en een deel voor Trip, en werden de delen overgeplaatst naar verschillende plaatsen. In 1757 waren beide delen gelegerd in Breda.

Dragonder Weijs kwam na omzwervingen met zijn regiment terecht in Breda, waar zijn contract er op zat en hij terugkeerde naar Vollenhove – of om precies te zijn naar Sint Jansklooster. Daar wachtte zijn vrouw Judith Teunis (1733-1764) en zijn op 12 augustus 1753 (dus na zijn overplaatsing) geboren dochter Marrigje. Op 11 oktober 1758, ruim een jaar naar zijn terugkeer, werd zijn zoon Teunis geboren – genoemd naar diens grootvader. Achternamen kwamen in die tijd nog niet veel voor, dat kwam pas bij de invoering van de Burgerlijke Stand rond 1810. Verder kreeg het echtpaar nog een zoon Jan in 1762 en dochter Judik in 1764 – het jaar dat zijn vrouw overleed. Hij hertrouwde met Anna Winter (1750-1810), en kreeg in de periode 1770-1779 nog vijf kinderen. De jongste, Fredrik (1779-1853), werd timmerman zoals zijn vader, en trouwde met zijn nichtje.

 

 

Ontslagcertificaat 

Hieronder eerst de letterlijke tekst van het certificaat, door Klaas Boes (1941-2017) ooit gevonden bij het Historisch Centrum Overijssel als bijlage bij geregistreerde huwelijken.

Gerlach baron van Massau

Generaal Majoor van de Cavallerie, Collonel over een Regiment Dragonders ten dienste

Van Haar Hoog mogende de Heeren Staaten Generaal der

Vereenigde Nederlanden etc. etc. etc.

Certificeere dat thoonder dezes Johan Willem Weijs geboortig van Remlingen in myn onderhebbende Regiment en Compagnie van de Collonel Graaff Van Bijlandt wel, eerlyk, en getrouw als Dragonder gedient heeft den tyd van Seve Jaar en Nege maende en alzoo  het zyne gelegentheyd niet en is om langer te dienen, en syn fortuyn elders te soekken van willen is, zoo hebben wy hem zyner getrouwen dienste halven zyne Paspoort niet willen weygeren, maer met dezen accorderen, zynde content van zyne gedaane Diensten, gelijck hy is van zyn Tractement. Versoekken derhalven alle en jeder naar qualiteyt, dees voor-komende den boven-gemelden Johan Willem Weijs over al vry en onverhindert te laten passeeren en repasseeren, zonder hem te doen eenig hinder of belet, maar ter contrarie, alle hulp en bystant des nood zynde te betoonen. Aldus gegeven in ons Guarnisoen binnen Breda den 2 Julij 1757 - W. Eckhardt, coll

Toelichting

Remlingen ligt bij Würzburg in Duitsland en heeft 1500 inwoners.

‘Seve Jaar en Nege maende’ = van plm. 1 oktober 1749 tot 2 juli 1757. Hij staat in het militaire stamboek van 1749. Is mogelijk in dienst gekomen vlak voor de overplaatsing naar Vollenhove, toen in de compagnie van majoor R.L. de Jaymaert. De Graaf van Bijlandt wordt genoemd als kolonel, eigenlijk is hij kolonel-commandant, de functie van compagniescommandant te vergelijken met een majoor. Hij maakt later nog behoorlijk carrière en wordt uiteindelijk ook regimentscommandant in de oorlog met Frankrijk (1794).

Nog een Weijs uit Remlingen?

In de genealogische gegevens tref ik ook ene Christiphorus of Christoffel Leonardus Weijs (1724-1815) aan, kleermaker in de Zuurbeek, geboren in Remlingen als zoon van Leonard Weijs (1695-1766) en Anna Schartheim (1692-1740, dochter van Nicolaas Schlosser uit Remlingen), getrouwd op 19 november 1715. In de militaire stamboeken van het Staatse leger komt hij - althans met deze voornaam - niet voor, in tegenstelling tot Johan Willem Weijs. Christoffel trouwde met Hilligje Berends uit de Leeuwte en ze kregen samen vier kinderen in de periode 1756-1765. Deze Weijs kreeg ook een behoorlijk groot nageslacht. In de rechte lijn zijn het allemaal boeren. Het is de voorvader van veehouder Jan Lok (1917-2013) op de Duin, het Diekhuus, volgens de kwartierstaat die Klaas Boes in 1989 maakte. Jan’s moeder was een Weijs. De jongste dochter van Christoffel, Albertje (1765-1829), is mijn eigen oudovergrootmoeder.

Een Weijs uit Hilversum geeft in zijn stamboom ook de tak vanaf Johan Willem weer, maar noemt als diens ouders Hans Leonard (1689-1766), getrouwd met Anna Schärtheim (1692-1740). Hans is mogelijk dezelfde als Johan, Leenders lijkt op Leonardzoon. Als dit klopt, is Christoffel de (half)broer van Johan Willem / Johann Wilhelm Weijs, de dragonder en voorvader van de timmermannen op het Ambt. Ze zijn mogelijk samen in dienst gekomen.

Helaas eindigt hier het verhaal bij gebrek aan sporen. Misschien gaat er eens iemand in de kerkelijke archieven van Remlingen kijken hoe het zo allemaal gekomen is. Zoek dan ook op de naam Weiss…

Zie ook: Garnizoenen op het Oldehuis