![]()
Er is een straatnaam in Vollenhove genoemd naar Jan van Smirren, een naar Engeland geëmigreerde vishandelaar die na de oorlog het sociaal-cultureel werk in Vollenhove financieel steunde en ereburger werd.
Van Smirren is een familienaam die erg zeldzaam is: in 2007 kwam die maar 120 keer voor in Nederland - en dan vooral in Vollenhove en directe omgeving. Het is een toponiem, Smirren is dus een geografische aanduiding – en wel van Smyrna, het huidige Izmir in Turkije. Het is een heel oude plaats, die al in de Bijbel (Openbaringen) wordt genoemd.
Vanaf 1612 bestonden er betrekkingen tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het Osmaanse Rijk waar Smyrna toe behoorde. In 1625 verbonden een aantal Amsterdamse kooplieden zich tot de Directie van de Levantse handel en de Navigatie op de Middellandse Zee. De eerste Nederlandse consul in Smyrna werd in 1656 benoemd. Er was een kleine Nederlandse gemeenschap en er was tot in de 19e eeuw een Nederlands kerkhof. Belangrijk voor de handel waren - naast katoen, zijde en wol - indigo (kleurstof. In de tweede helft van de 17e eeuw woonden er in Smyrna wel 10.000 buitenlanders. Joodse handelaren waren belangrijk in de handelscontacten met de Turkse autoriteiten, maar ook de Fransen en Engelsen waren in Smyrna aanwezig. Veel van de handel in oosterse tapijten naar Europa verliep via Smyrna, de zogenaamde Smyrnatapijten. Er werd zelfs een soort wol naar de plaats genoemd. Smyrna werd regelmatig getroffen door pest (o.a. 1678 en 1689) en cholera-epidemieën. Een grote aardbeving op 10 juli 1688 kostte naar schatting aan 15.000 mensen het leven. De bovenstad, waar vooral Turken woonden, lag vrijwel geheel in puin en van de Europese benedenbuurt was weinig over. De kanselarijarchieven werden verwoest. Drie rooms-katholieke kerken, veertien moskeeën en vele handelshuizen en woningen werden in puin gelegd. Toen de nieuwe consul, aankwam, was alles weer rustig, en al gauw waren er weer twintig Hollandse handelshuizen die goede zaken deden.
In Vollenhove leefde toen ene Dirck Jacobs Visscher, met als beroep vermoedelijk visser. Hij was in 1679 getrouwd en kreeg tot 1687 vijf kinderen die ook de achternaam Visscher kregen bij hun doop. Dochter Claesjen werd op 9 mei 1786 gedoopt en rond die tijd moet haar moeder overleden zijn want Dirck hertrouwt en zijn tweede vrouw krijgt een zoon Jan die op 7 oktober 1787 wordt gedoopt. Deze krijgt de achternaam van Smirnen mee, evenals het vierde en het vijfde van haar zes kinderen. Het merendeel van de kleinkinderen heet ook Van Smirnen, tot in 1723 ineens de naam Van Smirren wordt gebruikt. In een andere lijn is dat pas in 1758 het geval.
Vermoedelijk heeft Dirck aangemonsterd op één van de handelsschepen op de lijn Amsterdam-Smyrna, en kreeg in zijn woonplaats - ter onderscheid van al die andere 'visschers' - de naam van Smirne / Smirren.
Zijn nazaten zijn te vinden in een paar takken, waarvan één vooral visventers bevat en een andere verschillende soorten ondernemers: winkeliers, schippers, aannemers, vishandelaars, schilders en een logementhouder.
Winkelier Arend Derks van Smirren (1751-1832) was lid van de gemeenteraad van 1828 tot zijn overlijden. In de krant van 13 november 1802 adverteerde hij (dan nog Van Smirna) met flesjes met 'oprecht christaline oogwater', slechts acht stuivers. Hij woonde in de Visschersstraat, op de hoek van de Zeesteeg (kavel A22). Zijn huis, 'Anno 1790', staat er nog. In 1748 woonden zijn vader Dirk en zijn grootvader Arend Derks (met zijn derde vrouw Aagje Jongman) ook in de Visschersstraat.
Harmpje Arends van Smirren, dochter uit Arends derde huwelijk met Aagje Jongman, was in Amsterdam op 16-jarige leeftijd bezwangerd door haar werkgever. Haar zoon Hermen of Harm (1764 - 1824) had begin 19e eeuw 'buiten de poort' (Landpoort) een Logement Van Smirren. Harm was ook bode van de gemeente Ambt Vollenhove (die begon direct buiten de poort!) en deurwaarder bij het kantongerecht in de Stad Vollenhove. In 1804 was hij één van de twee bode-opzichters van het Heemraadschap (later Waterschap Vollenhove). In het jaar 1801 pachtte hij (nog) voor een jaar de havezate "Nijerwal", vermoedelijk om er te wonen. In 1805 kocht hij samen met zijn toenmalige echtgenote de havezate Eckelenboom, ook een mooie plek om te wonen. Hij trouwt in 1808 voor de tweede keer. In een beschrijving van grote de watersnood in februari 1825 wordt opgegeven, dat buiten de poort het water in het huis van H. van Smirren (het logement dus) 0.60 tot 0.80 el hoog stond.
Ook gemeenteraadslid is de kleinzoon van winkelier en gemeenteraadslid Arend Derks van Smirren: Jan Arends van Smirren (1812-1891), pachter / koopman / aannemer). Hij is lid van 1850-1869, en wethouder van 1869-1891. In 1855 besloot de gemeenteraad de brandspuit van Schokland te kopen (overbodig geworden na ontruiming van de Zuiderbuurt?). Jan had die spuit onderzocht en vond hem voor de gevraagde f 150 niet te duur. Onbekend is waar die spuit is gebleven. Het is in ieder geval niet de antieke spuit uit 1894 die in de Vollenhoofse brandweerkazerne wordt bewaard.
De visserij ontwikkelde zich gunstig en het aantal grote vissersschepen nam toe van 21 in 1847 tot 26 in 1850. Deze toename valt voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de bemoeienis van de aannemers Jan van Smirren en aannemer/schilder Antonij Bessem (1779-1830, kleinzoon van timmerman/aannemer Antony Van Baak), die schuiten opkochten, waarmee zetschippers de visserij gingen beoefenen.
In de jaren vijftig begon men vanuit Vollenhove zelfs rechtstreeks vis te exporteren naar Osnabrück en Bremen. Dit was het werk van deze Jan van Smirren, die zich in deze periode volledig ging toeleggen op de handel in vis. Er werd voor hem aan de binnenhaven in 1852 een grote bokkinghang met bijbehorende inrichting voor het zouten van vis gebouwd. De capaciteit hiervan werd al kort daarna vergroot. Tevens vestigde zich een expediteur voor Van Smirren in Keulen, die verantwoordelijk was voor de verkoop op de Duitse markt. Uit 1854 dateert een contract (bewaard in het Stadsmuseum) met een vishandelaar in Osnabrück voor de wekelijke levering van bokking (harde bokking, gerookte gezouten haring, bleef maandenlang goed).
De Vollenhoofse vissersvloot bestond toen uit 50 schuiten en dertien punters en boten. Van negen schuiten was de eigenaar geen visser, waaronder J. van Smirren als vishandelaar met 3 schuiten.
In 1863 is Jan van Smirren samen met bakker en mede-raadslid Lucas Van Gulik en met kastelein Sjoerd van der Veen, de opvolger van Harm van Smirren, eigenaar van het 16e eeuwse huis Kerkstraat 12.
Uit 1867 en 1884-1885 dateert het "Dossier kelder van Smirren" uit het gemeente-archief, met stukken over verhuur van een perceel aan Jan van Smirren en aankoop van een perceel waaronder een gedeelte van zijn tuin, ten behoeve van de vergroting van de haven. Naast de eerder genoemde rokerij-zouterij bezat de firma Van Smirren in 1885 twee Ansjoviskelders, een pakhuis en een garnalenpellerij in Vollenhove.
Rond 1875 is Jan van Smirren wethouder en loco-burgemeester. Hij werd in de verkiezingsuitslag omschreven als handelaar in vis en tevens eigenaar van een paar vissersboten met daarop een zetschipper. Zijn adres: Kerkstraat 109 K. Hij overleed op 30 november 1891 en is bijgezet in een nog bestaand graf op het kerkhof aan de Voorst.
Zijn zoon Arie Jan van Smirren (1849-1936) was ook gemeenteraadslid, van 1892-1899, en wethouder van 1899-1914. Hij was lid van een comité onder leiding van Baron Gerard Sloet van Oldruitenborgh (1831-1911) dat werkte aan de oprichting van een tramlijn Zwolle - Vollenhove - Blokzijl, omdat de verbindingen voor het vervoer van de vis naar de afzetmarkt erg slecht waren. In 1898 verscheen hun brochure.
In 1910 kreeg Arie Jan van Smirren een vergunning voor het oprichten van een fabriek voor vis- en groentenconserven aan de Binnenhaven. Hij speelde jammer genoeg een kwalijke rol bij de oprichting van een visafslag, waarvan al in 1911 de behoefte werd gevoeld - maar niet bij monopolist Arie Jan... Die wist het besluit te rekken tot 28 oktober 1914. De hoofdinspecteur der visserij - met een heel ander belang - was van mening, dat de trage besluitvorming kwam omdat het privébelang van Van Smirren, die tijdelijk burgemeester was, als handelaar gediend was met het voortbestaan van directe handel met de vissers.
In 1915 ging het bedrijf failliet en Arie Jan van Smirren verliet Vollenhove in 1916. Na het faillissement zette een firma Gombrun, met vestigingen in Den Helder en Vlaardingen, de activiteiten nog een paar jaar voort.
Visconserven Van Smirren
Arie's zoon Jan, geboren in 1890, had net daarvoor, in 1914, een vergunning gekregen voor het oprichten van een visconservenfabriek op het Oldehuisplein nr. 9 ('het Fort'), in een bestaand gebouw van het Grootburgerweeshuis. In 1916 kreeg hij vergunning voor het oprichten van een visrokerij, garnalenkokerij en zouterij van vis. Hij woonde al in Den Helder en had in 1914 eerst een garnalenkokerij annex zouterij vestigen op de Vismarkt, in of bij de oude boerderij van Oldenhof. De bedoeling was er een tijdelijke, houten vestiging te maken. De heer J. Weijs, timmerman te Vollenhove zou de twee werkplaatsen en een bergplaats voor turf gaan bouwen. Gemeenteopzichter M. Mosterdijk wees in een schrijven aan de gemeenteraad op het brandgevaar en stelde dat het afvalwater door een open goot. zou worden afgevoerd - vermoedelijk naar de stadsgracht op het Goor. Hij waarschuwt voor de stank, die ongetwijfeld het gevolg zal zijn, en wees ook op het onesthetische. Verder vond hij hout nu niet bepaald een materiaal, dat zich leende voor een bedrijf, dat vis verwerkt: zeer onhygiënisch. Van Smirren stelde later het gebouw van steen te zullen bouwen, omdat er een tekort aan hout is. Uiteindelijk komt er niets van terecht.
In 1925 kocht Harm Jongman (de Slenger) de leegstaande rokerij aan de haven en begon er zelf te roken. Hij verhuisde met zijn gezin van de Visserstraat naar de woning aan de haven.
Jan van Smirren verhuisde al in de jaren 1920 naar Engeland en stichtte daar een visconservenbedrijf in Boston, aan de oostkust ten noorden van Cambridge. Dat werd wereldberoemd om zijn ingelegde 'cockles'. Het merk bestaat nog steeds, maar is nu weer in Nederlandse handen. Sinds 2007 is het onderdeel van Lenger Seafoods, nu in Yerseke gevestigd, maar oorspronk
elijk van de Harlingse familie Lenger.
In de jaren 1950 heeft hij op diverse manieren een (financiële) bijdrage aan de gemeenschap van Vollenhove geleverd. Het geld was o.a. bestemd voor de organisatie van uitstapjes voor bejaarden ('bejaardenreisjes'), oorspronkelijk georganiseerd door de 4 V’s ofwel VVVV, en voor de oprichting van het bejaardentehuis 'de Twee Ankers' (de voorganger van 'Nieuw Clarenberg'). Hij bezocht zijn geboorteplaats in augustus 1956, en nodigde toen alle oude vissers uit bij Seidel om hun verhalen te horen, waar velen gebruik van maakten. 's Avonds bezocht hij een repetitie van de fanfare, die net als de toneelvereniging, ijsclub en VVVV financiële ondersteuning van deze succesvolle visconservenfabrikant uit Boston (UK) krijgen. De krant, die er verslag van deed, betitelde hem als 'suikeroom'. Dit zal de reden zijn geweest dat hij ereburger van Vollenhove werd, en er in 1962 een straat naar hem werd vernoemd: de Van Smirrenstraat.