Uncategorised

Het oranjevaandel markeert een punt in de geschiedenis van Nederland: de tijdelijke terugkeer naar het gezag van de stadhouder, Willem V van Oranje. Zie ook Vollenhove in de patriottentijd (1784-1787). Zeven notabele burgers en zes edelen van de Ridderschap van Vollenhove lieten dit vaandel maken en gaven het aan het stadsbestuur. Het exercitiegenootschap dat in de jaren daarvoor had opgetreden als burgerwacht, had ook een vaandel met als kleuren blauw-wit. Dat stond onder leiding van nota bene de zoon van de oude drost, Jan Arent Godert de Vos van Steenwijk (1713-1779) (van havezate Nijerwal) en ook Anthony Sloet van Oldruitenborgh (1769-1853) , zoon van de overleden luitenant-stadhouder Sloet van Oldruitenborgh was betrokken. Beide waren patriot.

De tegenbeweging won dus in 1787 en dat werd bevestigd met een vaandel voor de ‘eigen’ troepen. Spullen van de tegenpartij werden in beslag genomen en werden naast het nieuwe vaandel in het stadhuis opgehangen. Zie ook: Fagot van het patriottisch exercitiegenootschap.

Acht jaar later was de omwenteling echter definitief, de Bataafse Republiek was geboren en het stadsbestuur, waarvan de onderlinge benoemingen steeds betwist waren, werd vervangen door een nieuw soort bestuur, de magistraat. Het oranjevaandel was inmiddels zoek geraakt maar werd toch nog teruggevonden. Vermoedelijk is het toen lange tijd opgeslagen geweest in het archief van de stad, op de eerste verdieping van de toren naast het raadhuis. Het heeft er de schijn van dat burgemeester Ten Kate, die van 1926 tot 1940 in het raadhuis de scepter zwaaide en veel belang had voor historie, dit vaandel en nog een aantal andere historische objecten in het raadhuis tentoonstelde. In 1948 ging alles mee naar het nieuwe gemeentehuis, de voormalige havezate Oldruitenborgh. Rond de verbouwing daarvan van 1962-1964 lijkt het vaandel ook gerestaureerd, in ieder geval werd het ‘dundoek’ van beschilderde zijde voorzien van een stoffen ‘achterwand’. Het vaandel kreeg een mooie plek in de nieuwe burgemeesterskamer, waar ooit in 1809 koning Lodewijk Napoleon een nachtje gelogeerd had. Toen in 2001 na de herindeling de ambtenaren vertrokken, namen ze veel van de historische objecten mee naar Steenwijk maar het vaandel en het donateurenbord bleven hangen. Inmiddels heeft de gemeente het in bruikleen aan het Stadsmuseum Vollenhove gegeven waar het een prominente plaats in de permanente expositie heeft gekregen.

Wat is er op het vaandel te zien?

Een hert houdt het schild met het stadswapen vast. Het hert zal symbool staan voor de dieren, die destijds het jachtwild vormden van de bisschop van Utrecht die hier in 944 rechten kreeg. In de beschrijving uit 1811 van baron Jan Arend de Vos van Steenwijk (1746-1813) van de geschiedenis heten ze ‘elo’ en ‘schelo’, en dat zouden ook de naam zijn van de ‘herten’ die op het balkon van het voormalige Raadhuis (1621) aan het Kerkplein het stadswapen vasthouden. Dat Stadswapen van Vollenhove kent inmiddels iedereen omdat het inmiddels overal als vlag is te zien.

De oranjeboom draagt vruchten, ‘appeltjes van oranje’. Op de banderol het devies ‘vigilate et orate’, waak en bid. De beschadigingen rechtsonder – de verf is daar helemaal verdwenen – duiden er op dat het vaandel wel degelijk in de wind heeft gewapperd. Of de stok origineel is, valt te betwijfelen.

Wie waren nu die mensen die dit vaandel aan de stad schonken?

Baron Arend van Raesfelt tot Elsen (1725 Heemse -1807 Zwolle) was van 1786-1790 drost van het gewest Vollenhove.

Baron Roelof Sloet tot de Hare (1717-1790), ongehuwd, woonde op de Lindenhorst maar was lid van de Ridderschap vanwege de Haare. Vanuit het provinciaal bestuur gedeputeerde in de Staten Generaal.

Baron Robert Sloet tot Westerholt(1746-1816) was vanwege deze havezate lid van de Ridderschap vanaf 1772 en had allerlei lucratieve baantjes. In 1795 werd hij werkeloos, tot hij in 1814 de draad weer op kon pakken, o.a. als lid van de gemeenteraad.

Baron Lodewijk Arend Sloet tot Plattenburg (1720-1800) was een broer van Roelof Sloet tot de Hare. Hij was militair, en landrentmeester van Vollenhove van 1784-1795. Hij was lid van de Ridderschap van Overijssel vanwege havezate Plattenburg. Hij was lid van de generaliteitsrekenkamer, van de admiraliteit Amsterdam, en van de admiraliteit Maze.

Baron Gerhard Sloet tot Cannevelt (1726-1801), militair, werd in 1775 eigenaar van de havezate Cannevelt en daardoor lid van de Ridderschap. Hij bleef ongehuwd.

Baron Johannes van Coeverden (1741-1818) was schout en dijkgraaf van Wanneperveen en Zwartsluis. Hij huurde eerst havezate De Haare maar woonde vanaf 1781 met zijn vrouw op Kerkstraat 12. Hij had diverse militaire en bestuurlijke functies, waaronder lid van de Provinciale Staten van 1816-1818.

Paulus Bernard (1704-1791) was stadsgeneesheer. Kwam in 1750 uit Doesburg en woonde in het Lemkerhuis. Afkomstig uit een in Vollenhove bekende familie van schouten.

Johannis Bom (1713-na 1789), tinnegieter uit Amsterdam, werd burger van de stad in 1751,  in datzelfde jaar schepen en gedeputeerde van de geestelijkheid. Woonde in de Bisschopstraat en beschikte over een kapitaaltje uit de verkoop van zijn huis in Amsterdam. Was een relatie van de Vollenhoofse advocaat Moulin, mogelijk familie via diens vrouw. Maakte de inventaris van de erfenis van Arend Sloet van Oldruitenborgh in de periode 1787-1789.

Jan Reinhard Strick (1756-1815) was in 1791 burgemeester. Zijn moeder was Maria van der Poel, kleindochter van de Vollenhoofse dominee Henricus van der Poel. De ongetrouwde Aleida van der Poel was zijn tante. Rechtsonder op het donateurenbord staat dat hij de tekst heeft samengesteld.

Vredenrijk Jan Engelenburg (1731-1806) was rentmeester van de geestelijkheid, van havezate Rollecate en plaatsvervangend rentmeester van de St. Janskamp. Burgemeester, magistraat, thesaurier, heemraad en dijkschrijver. Woonde vanaf 1774 Kerkstraat 12 en vanaf 1781 op de Rollecate, ging in 1802 naar Kampen.

Egbert Westenberg (1764-1802), meester in de rechten, stadsecretaris in 1787, schout van Vollenhove en Blokzijl van 1788-1795. Lid van de ‘Smalle Verdeling’ en secretaris van de Ridderschap van Vollenhove. Hij trouwde in 1791 met een dochter van dokter Paulus Bernard. Zijn broer, overste en lid van Provinciale Staten, trouwt in 1798 met een dochter van baron Van Coeverden. Hun overgrootouders waren vanuit Zwolle getrouwd in Beulake, in 1691. In 1803 legt hij verantwoording af voor ontvangsten en uitgaven over de periode 1789-1800 van renten van de obligaties in het drostambt Vollenhove aan Arend van Raesfelt tot Elsen, lid van de Ridderschap van Vollenhove.

Willem Jan Nessink (1731-1812) kwam uit Kampen, was schout van Vollenhove van 1768-1788. Secretaris van de Smalle Verdeling van 1761-1787 (maakte een afschrift van het 14e eeuwse dijkrecht), en namens Kampen lid / gecommitteerde in 1790. Hij was verwalter-leenheer van havezate Rollecate in 1784, stadhouder van de lenen van havezate Oldhagensdorp van 1773 tot het opheffen van het leenstelsel in 1805. Regelde de verkoop van de grond van Toutenburg (imcl. Tuinmanshuis) in 1782 aan Arend Sloet (1722-1786) en zijn tweede vrouw. Was lid van de gemeenteraad Kampen van 1789-1795, gecommitteerde van de Admiraliteit op de Maze (1793-1795) namens Kampen waar hij woonde in de Nieuwstraat (dat is nu de Kerkstraat). Was een relatie van de Vollenhoofse advocaat Moulin, leende geld uit aan diens zoon.

Aleida van der Poel (1716-1793) was de dochter van een dominee, en kleindochter van de Vollenhoofse predikant Henricus van der Poel. Vermoedelijk is ze na de dood van haar vader in 1745 – hij was al in 1723 afgezet als dominee – naar Vollenhove gekomen. Zij had in 1750 een inkomen tussen 600 en 1000 gulden, en een vermogen in 1758 van 1088 gulden. Ze bleef ongehuwd. Haar broer, overleden in 1772, was o.a. stadssecretaris en in 1751 luitenant bij de schutterij. Ze woonde in bij haar tante Hillegonda in de Kerkstraat 14. Ze was de tante van de eerder genoemde Jan Reinhard Strick, en de buurvrouw van baron Van Coeverden.

Derk ten Napel, zonder beroep, van Ambt-Vollenhove,  wilde in 1937 op het adres Bisschopstraat 158, kavel A-934,  een huis  verbouwen tot bakkerij en daarin een oven plaatsen. De tekening / plattegrond komt overeen met de latere tekeningen van een andere vergunningaanvrager, Kamphuis. Het pand was een oude stadsboerderij, van Heetebrij. Het gaat hier om Derk ten Napel (1864-1956) timmerman en tevens gemeente-opzichter (van de gemeente Ambt-Vollenhove!) en waarschijnlijk toen met pensioen. Ten Napel heeft tien kinderen, de achtste heet Derk (1901-1983) en de negende Aaltje (1903-1968). Aaltje wilde trouwen, en haar vader zag een mogelijkheid om tegelijkertijd zowel Aaltje en haar man als zijn zoon Derk te helpen. Derk was doof en had toezicht nodig.  De woning naast de bakkerij was dus voor Derk  en zijn vrouw. Hij trouwde in 1940 met een vrouw die hij op het doveninstituut waar hij verbleef had leren kennen, en was meubelmaker.

Johannes Kamphuis (1908-1993), de man van Aaltje, werd geboren in Berkum (Zwollerkerspel) maar woonde voor zijn trouwen in Driebergen. Zij trouwden op 19-8-1937 en vestigden zich dus als bakker in Vollenhove met hulp van schoonvader Ten Napel. Die kocht het pand en verbouwde het tot bakkerij. Een tweede aanvraag hinderwetvergunning werd in 1939 door Kamphuis zelf gedaan voor het plaatsen van een kneedmachine met elektromotor van 2 pk. De bakkerij was dus al in bedrijf.

Foto: gemaakt op de tweede verjaardag 5-9-1940 van zoon Wim / Bill, rechts staat Aaltje Kamphuis – Ten Napel. In die tijd werkte Vrouwkje Korthoef (1920) er – vanaf 1937 – als hulp, maar zij staat volgens haarzelf niet op de foto. Er staat wel een bevriend echtpaar op.

Het was crisis en er waren al zeven bakkers in Vollenhove, maar Kamphuis zag mogelijkheden in de nieuwe polder die men aan het aanleggen was, de Noordoostpolder. Hij was een van de eerste ondernemers in de polder, hij voorzag het werkkamp net over de brug van brood en ook de eerste boeren. Uiteindelijk had hij heel wat klanten in de polder. Helaas voor hem wilde het bestuur van de polder zelf volledig beslissen over wie zich er vestigden, zoals boeren maar ook middenstanders. In 1952 werd beslist dat er maar één bakkerij in de polder mocht komen, en wel in Emmeloord. Kamphuis dong mee naar die plek maar werd afgewezen. Reden was zijn afkomst: men wilde een goed gemengde bevolking, en zocht iemand uit Brabant of Limburg, bovendien een katholiek – en dat was Kamphuis niet. In korte tijd verloor Kamphuis zo 90% van zijn omzet maar bleef in Vollenhove zeven concurrenten houden. Er bleef niet anders over dan – zoals zovelen in die tijd – te emigreren naar Canada en daar opnieuw te beginnen. Aaltje en Johan zijn in augustus 1952 met 'De Groote Beer' geëmigreerd naar Canada,  vestigden zich in Port Arthur waar Johan als counselar gewerkt heeft voor het Ontario Provincial Government (Health Dept.). Johan is in 1969 overgeplaatst naar Kingston (Ont.), huwde in 1971 met Ann Lenstra en verhuisde in 1982 naar Brampton (Ontario). Zoon Jan Willem (1938) heet in Canada Bill en is professor geworden in de civiele techniek aan een universiteit in Canada. Van hem zijn veel gegevens van dit verhaal afkomstig.

De bakkerij was toen al verkocht, om precies te zijn een jaar eerder, 30 augustus 1951. Lambert Bening (1913-1983) uit Beilen nam de zaak over, met zijn vrouw Ge Feijen (1918-1994). Hij is dan 38, zij 33. Volgens de Kamer van Koophandel is hij ingeschreven in 1955, en uitgeschreven in 1971.

Na vertrek van Bening – bijgenaamd: bakker Bolletje - wordt het pand gekocht door fietsenmaker Logtmeijer en het pand grondig verbouwd. Nadat Logtmeijer naar het industrieterrein verhuisde (jaren ‘90) stond het pand heel lang leeg terwijl de nieuwe eigenaren het pand splitsten en verbouwden tot twee woonhuizen.

 

In de Visschersstraat waren in de jaren 1930 twee bakkerijen. Op nummer 27 staat één van de twee betreffende panden. Het is een monumentaal pand uit 1790, waar nog sporen van de bakkerij terug te vinden zijn.

Luit – of ook wel Louis - de Lange (1872-1950, uit Blokzijl) kreeg in 1893 vergunning voor het oprichten van een bakkerij op dit adres. Hij trouwde met Hilligje Heetebrij (dochter van slager Andries Heetebrij, 1872-1940) en kregen een dochter Geesje (1896-?, ‘Gees van Lieffert’, woonde later Aan Zee) en zoon Luite (1900-?). Dochter Geesje trouwde in 1919 met hun bakkersknecht Lieffert Nijenhuis, die vanaf 1918 bij De Lange  inwoonde. Zoon Luite trouwde ook in 1919, met Anna Driesen, en werd boer.

Lieffert Nijenhuis, geboren 24-1-1896, kwam met zijn ouders uit Steenwijk naar Vollenhove, woonde in de Kerkstraat (54). Zijn vader was landbouwer. Bij het overnemen van de bakkerij in 1923 kreeg Nijenhuis vergunning voor het plaatsen van een elektromotor van 2 pk met mengmachine in zijn bakkerij.

Bakkersknecht bij Lieffert was Hilbertus Bron (1902-1984) vanaf 1918. Bij zijn vertrek kreeg hij een sigarenetui voor 6 jaar trouwe dienst. Bron, die nog kort bij bakker Kwast (zie De bakkerij aan de Voorpoort) in dienst was, begon in 1926 zelf een bakkerij even verderop in de Visscherstraat.

De eerste opgaaf van het bedrijf aan de Kamer van Koophandel was pas in 1926. Een winkel in kruidenierswaren kwam er bij in 1928. In 1932 moest bakker Nijenhuis voor het gerecht verschijnen omdat  hij te licht brood ter verkoop in voorraad zou hebben gehad. Verdachte had verklaard, dat zijn vrouw, die vaak helpt in de bakkerij, per ongeluk te kleine hoeveelheden had afgewogen. Bovendien ontkende verdachte, ooit voor een dergelijke overtreding te zijn gewaarschuwd. Wel was het eens voorgekomen, dat het brood ongaar was geweest. Gehoord wordt vervolgens dr. Stutterheim, directeur van de Keuringsdienst van Waren te Zwolle, die zegt, dat verdachte van te voren tweemaal was gewaarschuwd wegens te licht brood, en ook wel eens voor ongaar brood. Kantonrechter: “zou 't aannemelijk zijn, dat die vrouw zich heeft vergist?” Getuige: “dat kan wel zijn, maar dan toch is het zeer dom.” Kantonrechter: “ze geven in Vollenhove, zo 't schijnt, niet veel om lekker brood”. Eis en vonnis f 20 boete of 20 dagen hechtenis.

Het bakken van brood en banket werd in juli 1947 overgenomen door Herman van Dijk (1916-1987, uit Zwartsluis) die er wel brood in zag maar vanwege het wegvallen van de markt in de Noordoostpolder er in 1954 al mee moest stoppen en terugkeerde naar Zwartlsuis. Daarna is het pand  van 1955 tot 1960 in gebruik geweest als vishandel door Mansveld, er werd ook gebakken vis verkocht.

Bij de kaalslag in de jaren 1970 bleven er slechts een paar panden over in de Visscherstraat, waaronder dit pand. Het is toen verbouwd, waarbij de gevel is gerestaureerd en rechts een stukje is aangebouwd, maar in de woonkeuken – toen bakkerij – zijn de oorspronkelijke balken – met barsten – nog te zien.

In de Visschersstraat, op nummer 30, had Bertus Bron van 1926 tot 1970 een bakkerij. Met name in de jaren dat hij op zijn fiets en later ook motor-bakfiets met brood ventte stond hij bekend als ‘de fluitende bakker’. Hij was altijd vrolijk en floot zijn wijsjes voortdurend tijdens het bezorgen.

Hilbertus – kortweg: Bertus - Bron (1902-1984), geboren in de gemeente Weststellingwerf, had een deel van zijn jeugd doorgebracht in Duitsland. Zijn vader diende daar als melkknecht bij een herenboer, in de tijd dat er in zijn geboortestreek in Friesland bijna geen werk was. In 1912 kwam het gezin terug. Vermoedelijk bleef Jan, een oudere halfbroer (geboren 1896) daar wonen, want vele jaren later – in 1959 - kwam er een brief van dit verarmde familielid uit de buurt van Limburg met het verzoek voor her-stellen van het contact dat in 1924 was verloren, en om hem uit Maastricht op te halen. Bertus zou dan met de trein daarheen moeten reizen, het is er niet van gekomen… In ieder geval zorgde de Duitse schooltijd er voor, dat Bertus ook Duitse liedjes zong tijdens zijn werk. Bertus’ oudste zoon Roelof kreeg zo’n 25 jaar geleden van een hem verder onbekend familielid uit de buurt van Wolvega, die de stamboom aan het napluizen was, een foto ‘ter aandenken’ aan ‘tante Martha’, de – inmiddels - Duitse zuster van zijn vader.

Bertus vader Roelof, geboren in 1856 te Blesdijke, overleed in 1924 te Blokzijl en is drie keer getrouwd geweest. Zijn echtgenotes waren zussen van elkaar: Marrigjen (geb. 1859, twee kinderen), Aaltje (geb. 1874, twee kinderen) en uiteindelijk Jantje Muis uit Blokzijl. Met Aaltje, de moeder van Bertus is hij in1900 getrouwd, in hetzelfde jaar werd hun oudste dochter Maria geboren (‘tante Martha’). Maar er lijken ook halfbroers en mogelijk halfzussen te zijn geweest, zo noemt zoon Roelof – die nog weet hoe hij op de arm van zijn vader lopend naar opa en oma in Blokzijl op bezoek ging – een zekere Martin Vaartjes die boekhouder was in Rhenen bij Papierfabriek Van Gelder en eenmaal per jaar een week logeerde in een hotel in Blokzijl voor familiebezoek.

De familielijnen zijn terug te voeren naar Jan Hendriks Bron, geboren in 1778 te Nijelamer. Een familie met vooral boeren en arbeiders, die steeds in dezelfde streek blijft wonen en werken – tot het Duitse avontuur van Roelof. Dat had uiteindelijk tot gevolg dat zijn halfbroer Jan en ook zus Maria / Martha in Duitsland bleef (in de buurt van Venlo) resp. er naar terugkeerde. De Duitse opvoeding was nog veel later te merken aan bijvoorbeeld de Duitse kerstliedjes die Bertus zong. Toch was hij in de oorlog bang om die Duitse achtergrond prijs te geven, bang voor zijn goede naam.

Bertus werd bakkersknecht in Vollenhove, eerst bij Lieffert Nijenhuis, die ook een bakkerij in de Visscherstraat had, en later samen met Hendrik Tukker bij bakker Herman Kwast van De bakkerij aan de Voorpoort. Hendrik Tukker was zijn zwager, getrouwd met Albertje Mondria de zus van zijn vrouw (zijn zus was Annigje Tukker, die een kaaswinkeltje had in de Bisschopstraat). Hij droomde met zijn zwager van een eigen zaak, die ze ook beiden realiseerden, Hendrik Tukker in Zwartsluis en hij de zoveelste bakker in Vollenhove.

Bertus trouwde in 1926 met Elisabeth Mondria (1907-1988), dochter van een visventer in Vollenhove. Een ‘moetje’, want zes maanden later werd zoon Roelof al geboren. In datzelfde jaar krijgt Bertus vergunning voor het oprichten van een eigen broodbakkerij in de Visscherstraat, naast tim-merman Pieter IJspeerd. Drie jaar later is er vergunning voor een kneed-machine op elektriciteit, tot dan werd de ‘stroom’ slechts gebruikt voor één peertje boven de toonbank – zo kan Roelof zich nog herinneren.

De bakker maakte zijn eigen speculaas. Er zijn een paar planken, die hij bij een timmerman / houtsnijder in Zwartsluis liet maken, overgebleven. De data die op de Sinterklaas-te-paard plank zijn geschreven: 19-8-1926 en 14-5-1970 markeren vermoedelijk de tijd dat de bakkerij in bedrijf was. Meest gebruikt was de drieling, zo genoemd omdat er drie speculaaspoppen in een half pond gingen, de gebruikelijke verkoophoeveelheid. Er is ook een tijd geweest dat drie vrouwen van het Fort (zoals het Oldehuisplein in de volksmond werd genoemd) met deze drielingen langs de deur gingen, voor een kleine bijverdienste. Bertus had een hele verzameling speculaas-planken, ook oude exemplaren, aangelegd – die verdween met de winkel-inventaris na de overname door de gemeente, voor de sloop in 1970. In de familie zijn verder nog een mal voor het maken van chocolade-eitjes, en vormpjes voor het bakken van pensees en kano’s aanwezig.

Chocolade gieten was een werkje dat alleen op bepaalde dagen kon gebeuren. Chocoladeletters voor Sinterklaas werden gemaakt wanneer het buiten echt koud was: de chocolade moest snel stollen in de vormen. Ging het mis, moest het weer gesmolten worden en opnieuw gegoten. Dus werd gewacht tot het echt koud was, en werden de vormen achter het huis snel afgekoeld. “Vanavond is het zover”, sprak Bertus dan de voor zijn kleinkin-deren mysterieuze woorden.

Er was in die tijd een behoorlijke concurrentie: volgens Roelof waren er toen zeven bakkers in de stad. En dat met maar weinig werkgelegenheid, zeker tot aan de oorlog. Andere bakkers organiseerden soms activiteiten voor een kleine bijverdienste, zoals bakker Post ‘sjoelen en schieten’, met wat inleg per deelnemer en als prijs speculaas of een zak pepernoten.

In 1940, toen Roelof van school kwam en graag naar de ambachtschool wilde, stak zijn vader daar een stokje voor: de knecht ging er uit, en Roelof kwam in de bakkerij. Later, met name toen Roelof in dienst moest, was dat ook het (tijdelijk) lot van zijn broers Jan en Albert.
Met hulp van boekhouder Andries de Lange volgde Roelof tussen 1945 en 1947 de Bakkersvakschool en haalde zijn middenstandsdiploma. In 1947 moest hij in dienst, kwam terecht op Sumatra, raakte daar o.a. gewond en was pas in 1950 terug. En er was vrijwel geen werk! Dus kwam hij terug in de bakkerij, terwijl zijn broers inmiddels ander werk hadden vonden. Maar hij wilde nu ook wel eens trouwen – en dan moest er meer geld op de plank komen, dus de bakkerij overnemen of voor zichzelf beginnen. Daar was bij Bertus geen sprake van, en zo werd Roelof kaasmaker.

Met venten stopte op een gegeven moment vrijwel elke bakker, dat moet ergens rond 1960 geweest zijn. Alleen Krooshof reed nog een aantal jaren rond in zijn auto. Het venten ging eerst met een bakkersfiets, een model wat tegenwoordig weer enorm populair is onder scholieren: met een rek op de voorvork, en daarop een mand. Voor het rijden op een motorbakfiets moest je een rijbewijs hebben, zoals voor de auto. Examen doen ging bij Nering Bögel, een stukje rijden en dat was het dan. Maar een eigen auto: dat kon niet uit. Bertus had er wel kort één, zoals blijkt uit het kenteken-bewijs uit 1952. Het rijbewijs dateert van 1944, maar is mogelijk wel eerder gehaald.

In de jaren 1960 werd het al rustiger voor Bertus, die uiteindelijk zijn pand in 1970 verkocht aan de gemeente, die vervolgens de hele Visscherstraat – op twee panden na - met de grond gelijk maakte. Wat achterbleef was ‘het Gat van Vollenhove’.

Foto’s:
1. Bakkerij plm. 1960
2. echtpaar Bron voor de winkel tijdens het feest in 1952 (met zittende Roelof)
3. bakker Bron in 1941
4. oma Mondria – woonde iets verderop – met moeder Bron en kleine Roelof
5. Speculaasplank, Sinterklaas te paard,
6. bakker Bron 1970

 

 

 

 

 

 

 

In het pand Kerkstraat 72, waar de afgelopen jaren een potterie zat en daarvoor van 1850-1977 een kruidenierswinkel, was in de zeventiende en achttiende eeuw een bakkerij. Er is bekend dat het huis ten prooi is gevallen aan de vlammen toen de troepen van de bisschop van Munster (Bernhard von Galen, Bommen Berend) in deze omgeving opereerden, dat was van 1672-1674. In 1686 is het huis weer herbouwd.

Jennetien Wents wil in 1674 met de dominee van Beulake wil trouwen. Zij was de weduwe van Jan Willem van der Meulen, de molenaar van Vollenhove. Via zijn erfenis is er een bezitting, bestaande uit een half huis, aan de Hollandsche Plaetse in Stad Vollenhove. Op dat moment wordt het huis bewoond door Jan Backer. Het laat niets te raden over wat het beroep van deze man moet zijn geweest.

Vermoedelijk wordt hier Jan Hopman bedoeld, deze kwam als bakker in 1672 naar Vollenhove. Hij werd rond 1650 geboren in Rouveen, trouwde in 1673 met Geertjen Lijnjes uit Steenwijk en woonde in 1682 in een eigen huis met één vuurplaats en een oven gelegen op driekwart van de Kerkstraat. Ze kregen drie dochters en een zoon.

Hun zoon Arent Hopman werd rond 1688 geboren en is overleden in 1749. In 1748 bleek hij in te wonen bij bakker Ariaan Guijking en diens vrouw Wijchertje Mons. Ariaan, geboren in 1718 op de Halle (Ambt Vollenhove), trouwde in 1743 en was in 1744 naar Vollenhove gekomen. De vermelding meesterbakker  doet vermoeden dat hij de bakkerij heeft overgenomen.

In 1743 was het huis in bezit van de bakker en zijn vrouw. Het huis gaven ze als onderpand, blijkens een lening die zij in die dagen sloten. Hij gaf na enige tijd, in 1763, zijn beroep als bakker op en verkocht het huis. Het gezin verhuisde naar Westzaandam. Hij overleed in 1775, zijn vrouw vier jaar later. Hun zoon Tijmen (1752-1814) werd ook bakker, maar in Monnickendam.

NB: de namen Guijking en Mons worden op diverse manieren geschreven.