ligging landgoederen kloostersVeel mensen vinden verhalen uit de meer directe omgeving interessanter dan die van verafgelegen gebieden. Dat ligt voor de hand: het beroert je meer als iets dichtbij gebeurt. Toch moet je af en toe even buiten de eigen deur stappen om het regionale gebeuren in een bredere context te plaatsen. De oudste documenten over onze regio - de Noordoostpolder en omgeving - gaan terug tot Otto I de Grote (912-973), keizer van het Duitse Rijk. Europa was in zijn tijd in de greep van tegenstellingen en onderlinge oorlogen. Na de dood van Karel de Grote (814) probeerden Germaanse stammen - Saksen, Friezen, Franken, Beiers, Longobarden, Vandalen en Goten, hun positie te versterken. Ondanks de stamverwantschap bevochten de 'krijgsheren' - graven, hertogen en bisschoppen - elkaar op leven en dood. En dat gebeurde terwijl er ook nog 'buitenlandse' vijanden waren. Otto I uit het Saksische huis probeerde een eind te maken aan de onderlinge oorlogen. Hij zocht daarbij de steun van de christelijke kerk en gaf bisschoppen en kloosters vele cadeautjes. Maar, uiteraard, voor wat hoort wat.

De Lage Landen en het Duitse rijk

We weten niet exact hoe 'onze regio' er in de tiende eeuw uitzag. Er is nog geen Nederlandse staat en gemakshalve wordt het gebied veelal de Lage Landen of de Nederlanden genoemd. Maar ook nationale staten als Duitsland, Frankrijk, Italië bestonden nog niet. De Lage Landen maakten sedert 925 deel uit van het Duitse Rijk. In een oorkonde van 944 verleent Otto I het jachtrecht in de omgeving van Vollenhove aan bisschop Balderik van Utrecht. Uit dit document blijkt dat het oude Germaanse principe van jachtvrijdom voor ieder was verdwenen ten gunste van de landsheer, in dit geval dus Otto I. 'Wij maken bekend aan al onze getrouwen ( ... ) dat wij, tegemoetkomend aan de wens van de eerbiedwaardige Balderik, bisschop van Utrecht, van nu af aan met deze oorkonde ( ... ) verbieden dat graven of andere mensen in de bosgouw, die in het graafschap van Everhard is gelegen, jagen op herten, beren, geiten, zwijnen en bovendien op beesten die ( ... ) elanden worden genoemd, zonder dat daarvoor van de bisschop toestemming is verkregen. Ook willen en bevelen wij met uiting van onze koninklijke vrijgevigheid dat in deze gouwen dit bos, dat Vollenhove wordt genoemd, alsmede aan alle grenzen ervan en van de voornoemde gouw tot aan de overige aangrenzende gebieden, aan de voornoemde Utrechtse kerk de wildban (rechtsgebied waar gejaagd mag worden) wordt voorbehouden, zoals aan ons in onze gebieden'.

Denkend aan de leefwijze van de genoemde dieren kan men zich een voorstelling vormen van dit gebied, dat bestond uit uitgestrekte bossen en drassige stukken land. 's Zomers leeft de eland bijvoorbeeld graag in moerasachtige bossen, 's winters meer op hoger gelegen terreinen met veel struikgewas. In deze streken kreeg de bisschop van Utrecht het recht op het zogenaamde grof of edel wild als herten en wilde zwijnen. De jacht op klein wild - hazen en konijnen - wordt niet met name genoemd. Het recht daarop verschilde van plaats tot plaats.

De bisschop van Utrecht had nauwe relaties met de Duitse keizer. Hij was een der vertrouwensmannen van de keizerlijke familie. Bruno, de broer van Otto I en later bisschop van Keulen, had zelfs zijn opvoeding in Utrecht genoten. Bisschop Balderik verkreeg ook nog het begerenswaardige muntrecht en de handelsnederzettingen Muiden en Tiel. De keizer deed deze schenkingen, zoals we later zullen zien, met bepaalde bedoelingen.

Urk, Nagele en Otto I

Ook Urk komt meermalen in de oorkonden van Otto I voor. Het vissersdorp van nu heeft van alle plaatsen in Flevoland de oudste papieren. In een document uit 966 heeft Otto I, mede door het smeken van zijn echtgenote Adelheid: 'de helft van een zeker eiland in het Almere, dat Urk genoemd wordt, en al wat ligt aan de overzijde van de rivier Nakala tot aan Vunninga ( ... ) aan het klooster van Sint-Pantaleon, gelegen in de voorstad van Keulen, ( ... ) in eigen en  voortdurend gebruik aan de broeders, die daar de Heer dienen, uit overtuiging gegeven met alles wat erbij hoort: weiden, velden, visserijen, wateren en watergangen, gebaande en ongebaande wegen, in - en uitgaande rechten, roerende en onroerende goederen ( ... ) om ze te hebben, of te veranderen, of er alles mee te doen wat hen behaagt'. Het is een indrukwekkende opsomming over slechts de helft van het eiland Urk, dat blijkbaar in de lOde eeuw al een eiland was. Een paar jaar later wordt een ander deel van Urk aan de Sint-Vitusabdij (een nonnenklooster) in Elten gegeven. Het eiland was blijkbaar heel wat groter dan thans.

Ook Nagele, gelegen aan de Nakala, heeft waarschijnlijk tot de schenking behoord. Of met Vunninga het door het water bedreigde en verplaatste Veenhuizen wordt bedoeld is onzeker. De afstand van Urk tot Keulen en Elten is niet gering, maar ook toen al best te overbruggen. Op Urk heeft waarschijnlijk een zogenaamde grangria gestaan, een hof waar de vertegenwoordiger van de heer of het klooster woonde. Daar werden de tienden (tiende deel) van de opbrengst van graan - en zuivelproducten in ontvangst genomen. De rentmeester, periodiek naar Urk reizend, nam, volgens overlevering, als tegenprestatie zeven paar nieuwe schoenen mee.

Kloosters en abdijen vormden grote gemeenschappen, die streefden naar een zo groot mogelijke onafhankelijkheid en naar zelfvoorziening. Van Otto I zijn, buiten bovenstaande voorbeelden, veel meer schenkingen bekend aan bisschoppen, abdijen en kloosters.

Otto I en Adelheid als standbeeld in de Dom van MeissenOtto I uit het Saksische huis

Zoals gezegd na de dood van Karel de Grote was het Karolingische rijk uiteengevallen. De situatie werd zeer bedreigend toen het Duitse Rijk in het noorden werd aangevallen door Scandinavische stammen (in onze vaderlandse geschiedenis Noormannen genoemd), in het oosten door Hongaren en Slavische volkeren, en in het zuiden door Saracenen (Arabieren). Onder die omstandigheden kozen de rijksgroten een krachtig leider in Hendrik de Vogelaar. Deze slaagde er tijdens zijn leven in om zoon Otto door de rijksgroten benoemd te krijgen als opvolger. Op 9 augustus 936 liet de 23-jarige Otto zich tot koning kronen in Aken. De hertogen van Beieren, Zwaben, Frankenland en Lotharingen fungeerden respectievelijk als kamerheer, seneschalk, schenker en maarschalk. Met het benoemen van deze hofbeambten werden Otto's ambitieuze plannen al duidelijk. Aken was de stad waar Karel de Grote het liefst vertoefde en diens palts (paleis met bijgebouwen en hofkapel) was omstreeks 800 het middelpunt van een groot Europees rijk. Het maakte diepe indruk toen Otto, in het door oorlogen geteisterde Duitse rijk, op de koningstroon van Karel de Grote plaats nam. Hij maakte hiermee duidelijk dat hij in de voetsporen van Karel de Grote een rijk wilde stichten waarin hij als leider van de christelijke kerk optrad. Met Otto I begint een periode van 600 jaar, waarin meer dan 30 koningen op de zetel van Karel de Grote plaats namen. Die zetel is, evenals de kapel, bewaard gebleven en maakt thans deel uit van de Dom van Aken, waarin ook het graf van Karel de Grote te vinden is (814). De koninklijke start in Aken had Otto's positie versterkt; na de inval van de Hongaren schaarden alle rijksgroten zich als één man achter de koning.

' ... Bescherm ons Heer voor de pijlen der Hongaren .. .'

Omstreeks 900 rukten de Hongaren op naar Midden - Europa, op zoek naar nieuwe (weide)gronden. De stepperuiters uit het oosten - levend als nomaden - waren op hun beurt opgejaagd door andere op drift geraakte volken uit Centraal -Azië. De Duitsers (Beieren, Zwaben, Saksen en Franken) waren niet in staat de snelle invallen te keren. Deels kwam dat door de onderlinge verdeeldheid, deels ook door de aanvalstactiek van de Hongaren, die in gestrekte galop hun pijlen -volgens berichten zelfs 20 tot 30 per minuut -afschoten op de tegenstanders: de Duitse ridders met  hun zware uitrusting bewogen te traag tegen de aanstormende ruiters. Zij kregen niet de kans de Hongaren binnen een afstand van minder dan 300 meter tot een gevecht te dwingen. De Hongaren waren ongrijpbaar en stroopten het platteland af. Vandaar het gebed: 'Bescherm ons Heer voor de pijlen der Hongaren'. In de jaren vijftig drongen de Hongaren zelfs tot Augsburg door. Het gerucht ging dat zich daar 100.000 Hongaren op het Lechfeld hadden verzameld. Vanuit de belegerde stad deed de daar residerende bisschop een uitval die totaal mislukte. Daarop werd een beroep gedaan op Otto I, die een ridderleger van 7.000 tot 8.000 bijeen bracht en in snelle dagmarsen oprukte naar Augsburg. Daar werd hij door de Hongaren in een hinderlaag gelokt. Door het moedige optreden van zijn schoonzoon Koenraad de Rode kon evenwel een dreigende nederlaag afgewend worden. Koenraad overleefde de slag niet. Otto nam bloedig wraak: duizenden Hongaren werden bij het riviertje de Lech op gruwelijke wijze gedood. Otto kende in de strijd met de rijksgroten vaak mededogen, tegen de Hongaren was hij onbarmhartig en het afsnijden van neus en oren kwam veelvuldig voor.

Na de slag op het Lechfeld waren de Hongaren geen bedreiging meer; zij kozen vaste woonplaatsen langs de Donau en vestigden zich in het gebied van het latere Hongarije. Daarna rekende Otto af met de oostelijk van de Elbe levende Slavische stammen: Polen, Tsjechen, Slowaken en Sorben. Duitse,Vlaamse en Nederlandse kolonisten werden naar de Slavische gebieden gelokt en markgraven germaniseerden vanuit hun burchten de bevolking en bekeerden hen tot het christendom. (Zie illustratie burcht Meiszen aan de Elbe).

Otto werd na zijn overwinning op het Lechfeld geëerd als Vader des Vaderlands en verwierf de bijnaam Otto de Grote.

Kerkelijke politiek van Otto

Burcht in MeissenDe kerstening van de Slavische volken sloot precies aan bij de doelstellingen van de kerk en de samenwerking werd steeds intensiever. Familieleden speelden daarin ook een belangrijke rol. Al in een vroeg stadium had Otto zijn broer Bruno tot bisschop van Keulen benoemd en even later zelfs tot hertog van Lotharingen. Keulen was toen al een belangrijke handelsplaats aan de Rijn en tevens bedevaartsplaats. In de Sint-Pantaleonkerk werden de relieken bewaard van de heilige Pantaleon. Deze heilige uit tweede helft van de derde eeuw (in het huidige Turkije) was een tot het christendom bekeerde arts die door een Romeins keizer ter dood werd gebracht. Volgens overlevering werden zijn handen op zijn hoofd genageld en werd hij onthoofd. Bruno stichtte in de voorstad van Keulen een klooster gewijd aan deze heilige: het Sint-Pantaleonklooster. De helft van Urk werd aan dit klooster geschonken. Uit de schenking van de jachtrechten in de regio Vollenhove aan de bisschop van Utrecht was ook al gebleken dat Otto de positie van bisschoppen graag versterkte. Die politiek was aantrekkelijk, omdat graven en hertogen bij voortduring hun eigen machtspositie probeerden te vergroten. Otto verleende de bisschoppen grafelijke rechten en eiste van hen de eed van trouw. In vergelijking met de andere rijksgroten waren zij vaak betere bestuurders..

Otto had nog een belangrijke reden om bisschoppen te benoemen. Zij dienden zich aan het celibaat te houden. Dat laatste gebeurde weliswaar niet zo strikt, maar wettige erfgenamen konden zich nooit als opvolger presenteren. Voor dynastieke aspiraties hoefde de koning niet bang te zijn.

Paus en koning

Er was wel een maar aan de Ottoonse politiek verbonden. De paus in Rome mocht die politiek niet dwarsbomen door een Otto vijandige bisschop te benoemen. Italië was na de val van het Romeinse rijk ten prooi gevallen aan invallende Germaanse stammen als Vandalen, Longobarden en Goten. Otto kreeg de kans om zich in de Italiaanse zaken te mengen toen koning Lotharius van Itali overleed en diens vrouw Adelheid als erfgenaam de hulp inriep van Otto. Adelheid was gevangen genomen door de op haar bezit azende Berengarius. Otto kwam, zag en overwon, herstelde Adelheid's positie en ... trouwde met de bijna 20 jaar jongere Adelheid. Maar hij kon niet in Italië blijven vanwege dreigende opstanden in Beieren. Die wist h.ij met succes te bedwingen. Na de overwinning op het Lechfeld was Otto, zoals we reeds zagen, op het toppunt van zijn macht. In de jaren zestig kreeg hij - een nieuwe kans in het door adellijke families overheerste Rome. Zo was de pauskeuze een kwestie van de meest biedende geworden en werd een zekere Octavianus, 18 jaar oud, tot paus gekozen. Na zijn verkiezing nam hij de naam Johannes XII aan, maar was voor het overige geen voorbeeld voor zijn gelovigen. Hij bleef drinkgelagen en jachtpartijen organiseren; de jonge paus raakte onafwendbaar in de problemen. Hij riep de hulp in van Otto, die maar al te graag naar Rome kwam. Otto herstelde de positie van de paus en deze kroonde hem in de St. Pieterskerk (Maria Lichtmis in februari 962), met de kroon van Karel de Grote. Adelheid werd tot keizerin gekroond. Otto, de nieuwe keizer, beloofde de paus vergroting van diens kerkelijke staat onder voorwaarde dat hij instemde met het zogenaamde Privilegium Ottonianu, waarin stond dat iedere paus de eed van trouw aan de keizer diende af te leggen. Met deze kroning was het Europa van Karel de Grote ten naaste bij hersteld. De Duitse keizer zag zich voortaan als de door God aangestelde heerser van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. Maar nadat Otto in 973 op 61-jarige leeftijd was overleden bleek het Europa dat hij naliet weinig duurzaam. De strijd om de macht tussen kerk en staat zou in alle hevigheid ontbranden.

Over Urk is in de navolgende eeuwen weinig bekend. Er zijn schaarse gegevens dat de afdracht van goederen en belastingen maar moeizaam verliep. Nagele is, gelijk vele gebieden in de voormalige Zuiderzee, waarschijnlijk in 1307 ten onder gegaan. De wereldlijke macht van de bisschop van Utrecht, waaronder die over Vollenhove en omgeving, zou nog tot 1528 blijven bestaan.

Aaldert Pol (1932-2024), Emmeloord,  in een artikel van 4-5-2006 in De Noordoostpolder.

Foto’s:

  • burcht met Domkerk in Meissen aan de Elbe, foto Rolf Kranz, Wikipedia, Creative Commons licentie
  • Fürstenzug, 101 meter lang beeldhouwwerk met Duitse vorsten, Dresden - niet opgenomen in dit artikel
  • beeld van Otto I  (en Adelheid) in de dom van Meissen. Wikipedia, Creative Commons licentie
  • niet in oorspronkelijk artikel: kaartje met de ligging van Urk, Nagele en Schokland in de 10e - 11e eeuw, Anne Post (dorpshistorie.nl)

Literatuur met bronvermelding.

  • De Flevolandse geschiedenis in meer dan 100 verhalen, Gerrit van Hezel en Aaldert Pol. Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam, 2005;
  • Urk, de geschiedenis van een eiland, André Geurts., Uitgeverij De Twaalfde Provincie, 2005;
  • Over kaken, broodbanken & etstoelen, daarin hoofdstuk Staf en scepter met oorkonde over Vollenhove, onder redactie van Esther Koch e.a .. Uitgeverij Matrijs 1995;
  • Adelheid, Königin, Kaiserin, Heilige. Bruno Keiser. Uitgeverij Piper, München Zürich.

Zie ook: Vollenhove in de middeleeuwen