Vollenhove heeft in het kwartier (Land van) Vollenhove altijd een belangrijke rol gespeeld als bestuurs- en handelscentrum <1>. Van de handel is in de achttiende eeuw echter weinig overgebleven, als regeringscentrum blijft de stad wel van belang. Opvallend is het grote aantal edelen dat binnen de stad of in de directe omgeving ervan een havezate bezat, waardoor hun totale vermogen ongeveer even groot was als dat van de burgers. Dat grote aantal havezaten binnen Vollenhove vindt zijn verklaring in het feit dat in de middeleeuwen de bisschop van Utrecht in de stad een kasteel had, waar hij regelmatig verbleef. Daar vestigden zich ook vele van zijn raden en andere vooraanstaande personen. Bovendien verhoogde Philips II in 1560 de wedde van die leden van zijn raad in Overijssel, die een vaste woonplaats in Vollenhove hadden <2>.
Van de beroepsbevolking werkt, volgens een opgave van Slicher van Bath, in 1795 20% in de visserij, 30% in de nijverheid, 27% in de (veelal plaatselijke) handel, 13% in de landbouw en 10% in de sector van de maatschappelijke diensten. De takken van nijverheid en handel staan vooral in verband met de visserij.
De bevolking bleef lange tijd in aantal gelijk, maar in de achttiende eeuw ging door de vermindering van de handel en de economische stagnatie, die de Republiek in haar geheel in deze periode teisterden, het aantal inwoners omlaag. In 1795 heeft, volgens Slicher van Bath, de stad een inwonertal van ongeveer 2000, de directe omgeving van de stad inbegrepen. Volgens opgave bij de volkstelling van 1795 wonen in Vollenhove zelf 972 mensen, verdeeld over vier wijken, met in totaal 210 huisgezinnen <3>.
Passen wij de vierdeling van Van Heek, waarmee ook Slicher van Bath werkt, toe op het aantal (mannelijke) hoofden van de huisgezinnen van wie het beroep vermeld wordt, dan behoort 8% tot laag I (bovenlaag, aristocratie), 4,5% tot laag lIa (de hogere middenklasse), 55% tot laag lIb (de lagere middenklasse) en 32,5% tot laag III (de volksklasse). Opvallend is het hoge percentage bij laag I, wat het belang van Vollenhove als bestuurscentrum accentueert.
Wat de godsdienst betreft is Vollenhave erg 'eenzijdig' samengesteld: blijkens een opgave van 30 juli 1798 aan het gewestelijk bestuur is 2,6 % joods, 9,3 % rooms-katholiek en 88,1 % hervormd <4>. Aangenomen mag worden dat in de patriottentijd de situatie niet veel anders zal zijn geweest.
In de achttiende eeuw waren het bestuur en de rechtspraak in handen van twee schepenen en twee raden; de ambtstermijn was één jaar. Op Petridag (22 februari) verkozen de zittende schepenen twee personen voor het volgend regeringsjaar. Zij bleven zelf aan als raden voor het volgend jaar.
De schepenen vormden samen met de raden de magistraat - in de archiefstukken meestal 'de raad' genoemd - die de stad bestuurt. Zij benoemden ook de stedelijke functionarissen, bijvoorbeeld secretaris, klerken en bodes. Tevens beheerden zij de financiën, vaardigden ordonnanties uit en hielden toezicht op handel en wandel van de ingezetenen.
In de praktijk had dit tot gevolg - en dit valt ook te constateren aan de hand van de magistraatslijsten - dat vier regenten die eenmaal aan de macht waren en goed op elkaar waren ingespeeld, elkaar telkens weer op het kussen brachten, zonder dat de burgers daarop enige invloed konden uitoefenen. Een zo volslagen oligarchisch systeem werd verder in Overijssel nauwelijks aangetroffen. De burgers van Vollenhove hadden reeds in 1703 in een proces voor Ridderschap en Steden (zie ook Plooierijen (1703), vervolgens in 1710 in hoger beroep, getracht een andere wijze van verkiezing te krijgen, met een beroep op de privilegebrieven van de Utrechtse bisschoppen. In beide zaken was beslist ten gunste van het hierboven vermelde systeem. Tijdens de jaren dat de regeringsreglementen van kracht waren, dus ook vanaf 1748, bezat de stadhouder of zijn vertegenwoordiger de rechten van approbatie, improbatie en recommandatie (goedkeuring, afkeuring en aanbeveling van een keuze).
Schepenen en raden samen benoemden elkjaar tien burgers tot 'gemeenslieden', meestal de gezworen gemeente of meente genoemd, verdeeld in twee 'schoven' van vijf personen. Zij vertegenwoordigden de burgers en andere ingezetenen van Vollenhove bij de magistraat. Uit de magistraatslijsten blijkt dat het een gewoonte was geworden ook voor dit lichaam elk jaar dezelfde personen te benoemen: de vijf leden van de eerste schoof kwamen in de tweede en omgekeerd. De meente kon door de schepenen worden opgeroepen om samen met de raad te vergaderen over te nemen beslissingen. Zij kon ook afzonderlijk vergaderen en vervolgens de raad voorstellen doen, van welke recht in de jaren 1780-1787 veelvuldig gebruik werd gemaakt.
Er was sociaal verschil tussen leden van de raad en die van de meente. De raadsleden kwamen steeds uit laag I of lIa, die van de meente uit laag lIb. Nimmer werd een lid van de meente tot de magistraat verheven. Voor leden van de raad en de meente was de hervormde godsdienst vereist. De inwoners van de stad werden onderscheiden in burgers en ingezetenen. Het burgerrecht kostte 25 Caroliguldens en was erfelijk. Nieuw ingekomenen konden na verloop van enige jaren het burgerrecht verkrijgen.
Alles bij elkaar had Vollenhove een zeer oligarisch en gesloten bestuursstelsel, waarin weinig of geen ruimte was voor enige inspraak van de burgers.
Oppositie tegen het oude systeem binnen Overijssel
Het begin van de patriotse oppositie in Vollenhove kan gesteld worden op 8 maart 1784: ,Alsoo de prijsenswaardige zugt om wettige, schoon van tijd tot tijd, verwaarloosde Privilegiën, regten en geregtigheden na te sporen, te doen herleven, en te verdedigen, in de Republicq in 't algemeen, en deese Provintie in 't bijsonder, meer en meer veld wind ...... zo ist dat wij gesamentlijke Leeden der geswoome Gemeente repraesenterende de gehele Burgerije deeser stad hebben goedgevonden te versoeken, en te comitteren ..... onse meedeleeden Jan Harmen Frantzen, Andries Mol Voerman, Hendrik Jan Pengel, en Jacob Hooft, ten einde het noodig ondersoek te doen, omtrent alle de privilegiën, rechten en geregtigheeden van deese Stad Vollenhove" <5>.
Het initiatief ging uit van de gezworen gemeente en niet van de magistraat. Opmerkelijk is de vrij late start van de beweging, die misschien verklaard kan worden uit het streng gesloten regeringssysteem van de stad, waardoor de magistraat zeer veel macht had. Tevens wekt de burgerij, ook in het vervolg van de strijd, niet de indruk erg actiegezind en vastberaden te zijn.
In datzelfde jaar is in Vollenhove het exercitiegenootschap opgericht. Een datum wordt niet vermeld, maar op 11 december 1784 verzoekt het genootschap de magistraat om een oefenplaats en wapens. De leden krijgen toestemming te oefenen in de school, later in de Kleine of Mariakerk. Een beslissing omtrent de wapens wordt uitgesteld. Het korps bestaat uit twee vendels. De commandant wordt in geen enkel stuk genoemd. Wel zijn twee luitenants en een sergeant bekend: Richard Bessem, Hendrik van Gulik en Hendrik Jacob van den Akker. Op 31 december 1784 verzoeken de burgemeesters Boers en Van der Linde en zeven meenslieden Ridderschap en Steden om 100 snaphanen en bijbehorend materiaal ter verdediging van de stad <6>. Reeds hier blijkt dat twee leden der magistraat nauwer bij de nieuwe beweging zijn betrokken dan de overige twee.
Naar aanleiding van een publikatie van het gewestelijk bestuur van 24 maart 1785, waarin verlangd wordt dat de genootschappen approbatie verzoeken aan de magistraat, dient het korps op 12 april 1785 dat verzoek in. Het is ondertekend door W.J. Nessink, schout van Vollenhove. Hij zou de commandant geweest kunnen zijn, maar in de resolutieboeken wordt geen melding van hem gemaakt. Het verzoek wordt ingewilligd, waarbij in geen enkel opzicht van onenigheid binnen het stadsbestuur blijkt.
De gezworen gemeente stelt in december 1784 de raad voor, zich te verenigen met die andere steden van Twente en Salland die een bond hebben opgericht om bij Ridderschap en Steden voor herstel der oude privilegiën te ijveren. Dit voorstel wordt door de magistraat overgenomen op 27 december 1784; van onenigheid binnen het bestuur wordt expliciet geen melding gemaakt, hoewel die er wellicht wel was, gezien de houding van de burgemeesters Bom en Bernard in het onmiddellijke vervolg. Er zal een brief uitgaan naar H. Pennink, burgemeester van Enschede, die optreedt als 'Syndicus' van de genoemde bond van 'Vereenigde kleine Steden van Overijssel'. In die brief zal Vollenhove inlichtingen vragen over de bond en verzoeken er lid van te mogen worden. Bij inwilliging van dat verzoek vraagt Vollenhove om toezending van een door de bond opgesteld betoog van 31 december 1784.
Op l0 januari 1785 ontvangt de raad een brief, waarin Permink het besluit van Vollenhove toejuicht. Hij heeft de steden van de bond het verzoek om toelating voorgelegd. Maar dan ontstaat er binnen de raad van Vollenhove verschillen van inzicht. Twee van de vier burgemeesters, J. Bom en P. Bernard, van wie de eerste het meest op de voorgrond treedt, vragen tijd om zich te beraden over de toetreding. Zou de raad toch tot besluitvorming overgaan, dan protesteert Bom bij voorbaat en hij wil dit protest genotuleerd zien. De andere twee burgemeesters, Boers en Van der Linde, werken eendrachtig samen met de gezworen gemeente; samen verzoeken zij het gewestelijk bestuur ook om wapens voor het genootschap, zoals boven reeds bleek.
Omdat de gezworen gemeente verdere tegenstand van Bom en Bernard ducht, komen de leden met een voorstel dat door de raad wordt aanvaard: alle stukken betreffende 'vernieuwingsactiviteiten' (het officiële antwoord op Vollenhoves verzoek om toetreding tot de bond en andere nog te verwachten stukken zoals het betoog) zullen geadresseerd dienen te worden aan 'Burgemeesteren, Schepenen, Raden en Gezworen Gemeente’ <7>. Deze stukken zal de burgemeester die ze ontvangen heeft, in de eerstvolgende vergadering ongeopend moeten overleggen. Het (code)adres zal aan Penning worden meegedeeld. Tevens zal er een protocol in tweevoud worden aangelegd, met verslagen van alle vergaderingen die aan deze materie worden gewijd en met afschriften van alle binnengekomen en uitgaande stukken <8>. Het ene protocol zal op het raadhuis worden bewaard, het andere door een van de meenteleden.
Op bovengenoemd adres komt op 11 februari 1785 het betoog binnen van de bond van kleine Twentse en Sallandse steden. Raad en meente besluiten het betoog te overhandigen aan Mr. Willem de Lille (1750-1810) die nabij Vollenhove woont <9>. Deze De Lille had de stad al eerder van juridisch advies gediend inzake bestuurskwesties <10>. Van eerder contact met de bond wordt geen melding gemaakt. De raad verzoekt hem het ontvangen betoog te onderzoeken en van advies te voorzien. De Lille verschijnt op 25 juni 1785 in de gecombineerde vergadering van raad en meente om verslag uit te brengen. Eerst geeft hij een uitgebreide beschrijving van de inhoud van het ontvangen betoog <11>. Achtereenvolgens komen bezwaren tegen het landsbestuur in verband met gewestelijke aangelegenheden, bezwaren tegen de invloed van het gewestelijk bestuur op de stedelijke magistraatsbestelling en tenslotte grieven ten aanzien van verschillende zaken als jachtrecht, rechtsdwang en belastingen aan de orde <12>. De Lille is van mening dat bijna alle bezwaren, genoemd in het betoog van de bond, ook voor Vollenhove gelden en hij adviseert dan ook lid te worden van de bond. Daarnaast zou het volgens hem zeer dienstig zijn als de stad aan het gewestelijk bestuur een -eigen betoog zou aanbieden om daarin de specifiek Vollenhoofse bezwaren te uiten, die er volgens De Lille wel degelijk zijn.
Raad en meente hebben hem ook advies gevraagd over de te volgen weg. Voordat Vollenhove lid kan worden van de bond en een eigen betoog kan uitgeven, moet er volgens De Lille eerst een vraag worden beantwoord: is het in het belang van de stad dat eventuele grieven door Ridderschap en Steden ontvankelijk worden verklaard, zodat de stad straks in een vrijere positie ten opzichte van het gewestelijk bestuur komt te verkeren? Met 'de stad' bedoelt De Lille 'het Corpus der Burgerije, gerepraesenteerd wordende door gemeenslieden, en geregeerd wordende door een overheid, bij haar zelve of haare Repraesentanten verkoren’ <13>. Volgens De Lille moet de stad alles bij het oude laten als Vollenhove niet tevens een andere regeringsvorm krijgt. Immers, de nieuwe situatie zou alleen de huidige regenten tot voordeel zijn, als de magistraatsbestelling ongewijzigd zou blijven. Alleen als ook die veranderd wordt, wil De Lille wel verder van dienst zijn, omdat hij 'afkerig is, en altijd bevonden zal worden, om zijn raad of pen te lenen ter bevordering van Aristocratie, de onverdraaglijkste van alle overheersing' <14>.
Na het verslag besluiten raad en meente de zaak te overdenken en in een volgende vergadering beslissingen te nemen. Bom en Bernard willen een copie van het rapport-De Lille en na een aanvankelijke weigering ontvangen ze die, omdat ze dreigen een beroep op het gewestelijk bestuur te zullen doen.
Op 3 augustus 1785 verzoekt de raad aan Mr. J.W. Racer te Oldenzaal om naar Vollenhove te komen en advies te geven over het rapport-De Lille en over toetreding tot de bond. Hier valt toch wel op hoe aarzelend nog de houding van de raad en de gemeenslieden is tegenover de vernieuwingen: eerst advies van De Lille, daarna van Racer. Dit maakt een weinig radicale indruk. Racer is de schrijver van het betoog der kleine Twentse steden en kent dus de problematiek. Bom en Bernard zijn tegen dit verzoek. In de resolutieboeken van Vollenhove zijn geen verslagen te vinden over besprekingen of beslissingen omtrent het rapport van De Lille, noch over een bezoek van Racer of over andere contacten met hem. Dit hangt misschien samen met de protesten van Bom en Bernard en het feit dat de stadssecretaris hun partij kiest en weigert zittingen van raad en meente over deze zaak te notuleren <15>. Ook in het protocol van reclames (bezwaren) wordt niets vermeld. Wel schijnt er in 1786 een 'Betoog aangaande de bezwaarden der stad Vollenhove omtrent haare rechten en vrijheden, Met Bijlagen', gedrukt door J.A. de Chalmot te Kampen. In dit werkje worden de opvattingen van de gezworen gemeente en twee der burgemeesters, Boers en Van der Linde, weergegeven. Wie de schrijver is, is niet met zekerheid te zeggen, maar waarschijnlijk heeft Racer het aan de hand van het rapport-De Lille geschreven <16>: indeling en argumentatie van de grieven komen overeen met het verslag dat De Lille maakte. Het boekje is onderverdeeld in drie hoofdstukken, waarvan het eerste in dit verband van belang is: 'Bezwaaren der stad ten aanzien van haare rechten tegenover de Provinciale Regering'. Het handelt over de delibererende stem der kleine steden en het voegt niets toe aan het 'Betoog aangaande de bezwaaren der kleine steden van Twente, ten aanzien van derzelver rechten en vrijheden', waarnaar verwezen wordt <17>. In het betoog van de bond wordt aangevoerd, dat de kleine steden vanouds ter landsvergadering werden opgeroepen om daar met de ridderschap, en de grote steden te beraadslagen over te nemen beslissingen, de zogenaamde delibererende stem der kleine steden. In de loop der zestiende eeuw zijn de kleine steden van dit recht beroofd, in 1658 is de oude gewoonte hersteld. In het regeringsreglement van 1675 werd, met uitsluiting van alle andere steden, alleen Hasselt en Steenwijk een delibererende stem toegekend. Dit besluit is in 1748 bevestigd. Met een beroep op de oude gewoonte en met de motivering dat het herstel daarvan tot versterking van de steden tegenover de ridderschap zal leiden, zoals Racer in zijn voorwoord opmerkt, vraagt de bond Ridderschap en Steden alle kleine steden de delibererende stem weer toe te kennen.
Zoals vermeld sluit Vollenhove zich in zijn betoog hierbij aan. Dit is des te opmerkelijker, daar er op een extra-ordinaris vergadering der Vereenigde Kleine Steden van Overijssel te Wilsum op 8 mei 1787 verschil blijkt te bestaan tussen Vollenhove en de overige steden. De vergadering was belegd om uit te maken wat de bond aan het gewestelijk bestuur zou zeggen naar aanleiding van een oproep van Ridderschap en Steden om haar verlangens kenbaar te maken. De afgevaardigden, namens Vollenhove J.C. van der Linde, spreken af dat ze een oproep zullen vragen om ter landsvergadering te komen, zoals vanouds met een delibererende stem. Maar alleen Vollenhove wil een concluderende stem voor de kleine steden. Een reden hiervoor wordt niet gegeven <18>.
De betogen der kleine steden zijn in de landsvergaderingen blijkens de verslagen van Ridderschap en Steden wel aan de orde geweest. Door de grote steden worden voorstellen gedaan om het regeringsreglement te wijzigen, maar vóór de Restauratie in 1787 is het gewestelijk bestuur niet tot definitieve besluiten gekomen.
Pogingen tot vernieuwing van het stadsbestuur, verzet hiertegen en de invloed van de burgerij
De vernieuwingsdrang, die blijkens de protocollen voornamelijk uitgaat van de gezworen gemeente, waarbij zich twee magistraatspersonen, Boers en Van der Linde, aansluiten, spitst zich toe op de manier waarop de magistraat wordt samengesteld. In het Vollenhoofs betoog wordt hierop uitvoerig ingegaan, waarbij soms ook weer verwezen wordt naar het betoog van de bond. De bezwaren van Vollenhove worden in het eigen betoog behandeld in hoofdstuk B. Allereerst bezwaren in verband met 'de approbatie en improbatie der burgemeesteren en gemeenslieden door de Erfstadhouder of in Hoogdeszelfs naam door de Heeren Gedeputeerden <19>. Het Vollenhoofs betoog verwijst dan naar dat van de bond, paragraaf 7. Hier wordt aangevoerd dat vanouds de steden in hun keuze van de magistraat volledig soeverein waren. Door de regeringsreglementen van 1675, opnieuw ingesteld in 1748, is de bestaande regeling de kleine steden opgedrongen. Nimmer zijn ze hierin gekend en nimmer hebben ze hierin bewilligd. Dit is een onrecht, de kleine steden aangedaan in strijd met de bepalingen van de Nadere Unie en het landrecht van Overijssel, vastgesteld op 21 september 1657. Het recht van approbatie en improbatie dient onverwijld te worden afgeschaft.
Over dit bezwaar van de kleine steden is door Ridderschap en Steden in 1786 wel beraadslaagd, maar tot een afschaffing van dit stadhouderlijk recht is het pas in mei 1787 gekomen. Er was ook tegenwerking van de kant der grote steden en van de Ridderschap, die er niet voor voelden de kleine steden mee te laten delen in de machtsuitoefening. Bij alle magistraatsaanstellingen te Vollenhove wordt expliciet vermeld dat er approbatie is verleend <20>. Het tweede bezwaar dat in het Vollenhoofs betoog behandeld wordt, is de wijze van verkiezing van magistraatspersonen. De Lille had er in zijn advies al op gewezen, dat zijns inziens de keuze veranderd diende te worden, wilde Vollenhove profijt hebben van afschaffing van het approbatie- en improbatierecht. 'Zedert zeer lange jaren’ <21> kiezen twee burgemeesters jaarlijks twee die hen opvolgen en deze vier personen kiezen de tien gemeenslieden: 'eene volslagen Stadsaristocratie onafhanglijk van de Burgerij alhier'.
De gezworen gemeente stelt 2 april 1785 de raad voor om de verkiezing van schepenen te veranderen. Boers en Van der Linde gaan akkoord, maar Bernard en Bom dienen een schriftelijk protest in: de eed <22> bij de aanvaarding van hun ambt laat niet toe de wijze van verkiezing te veranderen, waarbij ze zich ook beroepen op een resolutie dienaangaande van 13 april 1703 van Ridderschap en Steden. Toch wordt het voorstel behandeld en aangenomen door de gecombineerde vergadering van raad en meente, ongetwijfeld een revolutionaire daad! Als de secretaris om die reden weigert het besluit te protocolleren, doet Van der Linde dit op 15 augustus pro memoria. De burgemeesters Boers en Van der Linde en de gezworen gemeente nemen het besluit 'om deeze Stad van de onverdraaglijke beheersching van vier Burgemeesteren te verlossen en de vrijheid van keuze van Burgemeesteren en Gemeenslieden in den Boezem der Burgerij te doen berusten' <23>, omdat, volgens de resolutie van 15 augustus 1785, 'het recht van verkiezing van Raad en Meente door de gehele gequalificeerde Burgerij behoort te worden geoefend: en dat ten dien einde de jaarlijksche keur van Gemeentslieden door een zeker bij looting bepaald getal Burgeren behoort te geschieden, en dat door deeze verkooren Gemeentslieden jaarlijks de Schepenen behooren verkooren te worden’<24>.
De tegenstellingen tussen Boers-Van der Linde en Bom-Bernard beginnen nu snel te groeien. Het advies dat De Lille heeft uitgebracht, wordt door Bom en Bernard fel bestreden, vooral op het punt van de schepenkeuze. Ze weigeren mee te werken aan pogingen tot herstel der privileges – dan moet volgens hen eerst nog bewezen worden dat ze werkelijk geschonden zijn! - indien een verandering in de magistraatsbestelling daaraan gekoppeld wordt <25>. Boers en Van der Linde besluiten dan al het behandelde in de raad en meente bekend te maken aan de burgerij om deze te overtuigen van hun goede bedoelingen. Dit vatten Bom en Bernard op als belediging en bedreiging. Er zijn in de resoluties ook meldingen van straatschenderijen, beledigingen, het ingooien van ramen en het bekladden van muren met allerlei leuzen, hoewel in erg vage bewoordingen: namen van getroffenen en schuldigen worden nauwelijks genoemd <26>.
Op 3 november 1785 dient Bom een klacht in tegen ene Wolter van Guldenaer die hem beledigd heeft. Om tegen hem te procederen - voor de schepenen Boers en Van de Linde! - verzoekt Bom de raad om extracten uit de resoluties. Het rekest wordt door raad en meente afgewezen omdat de adressering niet correct is: het is slechts gericht aan de raad. Bom verandert dan het adres in 'Aan Burgemeesteren Schepenen Raden en zo verre nodig saamt de gezworen gemeente'. Weer wordt het geweigerd vanwege de woorden 'en zo verre nodig'. Als Bom dan tenslotte het adres correct vermeldt, wordt het rekest aanvaard, en de stukken zullen hem ter hand worden gesteld. Het. Schepenvonnis <27> inzake het proces tegen Van Guldenaer wordt door Bom niet geaccepteerd: in een rekest aan Ridderschap en Steden beschuldigt hij de schepenen Boers en Van der Linde van partijdigheid. Op 4 februari 1786 verdedigen raad en meente zich tegen deze beschuldiging bij de heren ordinaris gedeputeerden. De hele gang van zaken en het verzet van Bom en Bernard, zoals boven beschreven, worden uiteengezet. Het proces tegen Van Guldenaer wordt door beide partijen aangegrepen om Ridderschap en Steden op de hoogte te stellen van de conflicten binnen Vollenhove.
In ditzelfde jaar, 1786, bereikt de crisis haar hoogtepunt: in overeenstemming met de resolutie van 15 augustus 1785 worden in februari Hendrik Pieter Ramaker en Albert Hendrik Ekker tot schepenen benoemd, twee patriotten, wat een duidelijk passeren van Bom en Bernard betekent. Hierop komt 14 maart de improbatie van Ridderschap en Steden en aanstelling van Bom en Bernard.
Het is hier de plaats om de houding van de Staten van Overijssel te bespreken. Duidelijk zien we in Vollenhove een bevestiging van de veranderde situatie binnen Overijssel: aanvankelijk stond het gewestelijk bestuur – de grote steden en enkele ridders waren patriotten - welwillend tegenover hervormingen. Vandaar dat de bond van Twentse steden en later ook Vollenhove met betogen konden komen en zich inderdaad konden vleien met de gedachte gehoor te vinden voor hun grieven. Maar in 1785 begint de kentering al, en vanaf 1786 verloopt het getij voor de patriotten duidelijker. Dat biedt dan ook de verklaring waarom Bom zijn grieven tegen hervormingen binnen Vollenhove in een rekest aan de Staten uiteen kan zetten (zie boven). Het bestuur steunt hem en Bernard, zoals blijkt uit de improbatie van de gekozenen schepenen.
De aftredende burgemeesters weigeren, ondanks aandringen van het gewestelijk bestuur, Bom en Bernard de eed van zuivering af te nemen, zulks blijkens een brief aan dat bestuur van 12 mei 1786, omdat Bom en Bernard de rechten van Vollenhove niet verdedigd hebben en ze bovendien de oud-burgemeesters, de burgers en de predikanten van Vollenhove belasterd hebben. Hieruit valt af te leiden dat de predikanten patriotsgezind waren. Het landsbestuur neemt hier geen genoegen mee en schakelt de drost van Vollenhove in, die blijkbaar zoveel macht heeft dat de tegenstrevende partij het hoofd in de schoot legt voor wat de schepenkeuze betreft. Boers vertrekt (vlucht?) naar Amsterdam, Van der Linde wijkt uit naar Zwolle. Bom en Bernard leggen op 16 juni de eed af voor de drost. De gezworen gemeente legt zich hierbij niet neer en protesteert 29 juni schriftelijk tegen deze aanstelling, wat op 12 mei 1786 ook al gebeurd was, niet alleen door de gezworen gemeente, maar ook door gecommitteerden van het exercitiegenootschap en een deel van de burgerij.
Hoe groot was de aanhang van de patriotsgezinde leiders? Voor de periode 1780-1787 kan dit alleen worden afgeleid uit twee rekesten uit 1785 en 1786, de twee enige bronnen betreffende personen die toen patriotsgezind waren, althans de beweging voor vernieuwing steunden. Het eerste rekest is ondertekend door 112 personen, het tweede door 101. In totaal hebben 143 personen het eerste en/of tweede rekest ondertekend. Als we uitgaan van een bevolking van 1000 zielen, en een vijfde deel daarvan is mannelijk en volwassen, dan bestaat de aanhang van patriotsgezinden en sympathisanten uit ongeveer 70% van die mannelijke volwassen bevolking. Hiertoe behoorde bijna de gehele volwassen Rooms-Katholieke bevolking. Voor de verdeling van deze groep over de vier sociale lagen (zie inleiding) is de situatie als volgt: laag I geen aanhangers, laag lIa 4 personen, laag lIb 53, laag III 17.
Deze aantallen betreffen alleen de hoofden van huisgezinnen die in de volkstelling van 1795 vermeld staan. Duidelijk te constateren valt het grote enthousiasme voor de nieuwe ideeën onder de kleine burgerij. Het rekest van 12 mei waarin tegen de gang van zaken rond de schepenverkiezing van 1786 werd geprotesteerd, haalt niets uit. De publieke opinie blijft overigens Boers, Van der Linde, de gezworen gemeente en het genootschap steunen. Uit de resoluties valt af te leiden dat het merendeel der ongeregeldheden gericht zijn tegen Bom en Bernard en eventuele medestanders <28>. Maar als dan duidelijk wordt dat het landsbestuur de aanstelling van Bom en Bernard tot schepenen handhaaft en de drost inschakelt, leggen de patriotsgezinde burgers zich ogenschijnlijk hierbij neer. Het deel van de burgerij - namen worden niet genoemd - dat Bom en Bernard steunt, gaat echter tot tegenactie over en sympathisanten van hen zien hun kans schoon als een deel van het genootschap uitgetrokken is om Hattem te beschermen tegen een aanval. Op 4 september 1786 meldt een resolutie dat bepaalde lieden zondagnacht 3 september 'met stukken en brokken van gipsen beelden waarop naamen van zommige leeden van het genootschap die op gepasseerden Zaterdag uitgetrokken waaren de goede en stille ingesetenen wouden intimideren en een schrik aan jaagen, door deselve voor haare deuren en stoepen neer te smijten en geweldaadigheden te pleegen’ <29>.
Van der Linde, inmiddels weer uit Zwolle teruggekeerd, vaardigt een plakkaat uit waarin, misschien op verzoek van de gezworen gemeente, gedreigd wordt met straffen. Van der Linde is dan nog raad, evenals Boers, ook al is deze laatste nog niet weer in de stad. De resolutie is niet ondertekend door de schepenen. Tevens verzoekt Van der Linde de krijgsraad van het genootschap 's nachts te laten patrouilleren om herhaling te voorkomen. De ongeregeldheden nemen echter zo'n vorm aan dat op 18 september een burgerwacht wordt ingesteld van korporisten en andere burgers ter bescherming van de personen, huizen en bezittingen van de gezamenlijke ingezetenen. Van deze wacht wordt Van der Linde kapitein, de gemeensman Frantzen luitenant. Blijkbaar is de angst voor totale anarchie dan zo groot dat partijen elkaar vinden in het bestrijden van welke ongeregeldheden dan ook. Hierop keert de rust terug en op 31 januari 1787 wordt de burgerwacht weer opgeheven. De raad bedankt de krijgsraad van het genootschap en de rotmeesters van de burgerafdeling voor de bewezen diensten <30>.
De Restauratie
Het patriotse democratiseringsproces was al bij de schepenverkiezing van februari 1787 geblokkeerd <31>. In 1787 raakte het herstel van de oude orde voltooid: in februari van dat jaar traden Bom en Bernard af. Zij werden raden en kozen tot schepenen: Jan Hendrik Strik, hoewel deze pas op 1 november 1787 het burgerrecht zou winnen, en Willem Maaskamp. Strik was geen patriot en bleef ook na 1787 deel uitmaken van de raad. Willem Maaskamp daarentegen was wel patriot: in 1785 had hij het rekest ondertekend, waarin Boers en Van der Linde werden geprezen om hun liefde voor de democratie <32>. In 1786 had hij geprotesteerd tegen de aanstelling van Bom en Bernard en in datzelfde jaar was hij beboet wegens vechten en belediging. Het is denkbaar dat Maaskamp in 1787 alsnog de andere zijde had gekozen of dat veeleer Bom en Bernard hem kozen om de gemoederen te Vollenhove niet al te zeer te prikkelen door tenminste één patriot in de raad toe te laten <33>. De approbatie op deze verkiezing werd op 27 oktober - waarom zo laat? -, na de inval der Pruisen dus, verleend. Dan ook noteerde Bom de aanstelling met de mededeling dat Willem Maaskamp had bedankt. Is dit een aanwijzing dat deze toch niet van partij was veranderd en veeleer voor 'de eer' had bedankt? Een vervanger wordt niet genoemd. De magistraat handhaafde de samenstelling van de gezworen gemeente. Niemand wordt ontslagen en niemand bedankt. Toch hadden alle tien leden in 1786 in zeer krasse bewoordingen geprotesteerd tegen de aanstelling van Bom en Bernard tot schepenen <34>.
Zolang geen approbatie was verleend, zullen de schepenen Bom en Bernard en de raden Boers en Van der Linde hun taak moeten hebben vervuld. Een bewijs hiervoor is in de resolutieboeken niet te vinden: het tweede resolutieboek van Vollenhove eindigt op de laatste pagina op 20 februari 1787, het derde begint op 6 december 1787. Wat er in de tussentijd is voorgevallen, vooral in september tijdens de inval der Pruisen, valt niet meer te achterhalen. Wel blijkt uit de resoluties van 6 december 1787 af, dat Van der Linde en Boers in september van het Vollenhoofs toneel waren verdwenen: in een brief van 6 december 1787 aan Van der Linde, die dan in Zwolle woont, eisen raad en meente stadsgelden terug die deze op eigen gezag heeft uitgegeven, onder andere de 25 gulden die hij aan Boers en aan zichzelf in september 1787 heeft uitbetaald als traktement. Ook in de laatste maanden voor de restauratie gaat het merendeel van raad en meente door met vernieuwingspogingen: 8 mei 1787 is Van der Linde afgevaardigde van Vollenhove naar de vergadering der kleine steden te Wilsum <35>. Hieruit blijkt dat de restauratie op dat moment nog niet geheel afgerond was. Het ligt voor de hand die afronding te Vollenhove te dateren in september, als de Pruisen binnenvallen. Er is dan een detachement soldaten van Kampen naar Vollenhove gekomen, onder leiding van W. Bouwens, commandant bij de cavalerie. Het heeft in Vollenhove in garnizoen gelegen. De kosten van het vervoer zijn door Vollenhove betaald <36>. Dan verdwijnen Van der Linde en Boers en gaat de gezworen gemeente blijkbaar 'om': alle tien leden worden ook in 1788 en daarna gehandhaafd. Na de approbatie van 27 oktober 1787 tekent Bom voor de gezworen gemeente dezelfde tien leden op.
Of er tijdens die omwenteling georganiseerde terreur is geweest, daarover zwijgen de bronnen. Wel moet er sprake zijn geweest van ongeregeldheden en intimidatiepogingen: in de jaarrekening van 1787 staan onder 'extra ontvangsten' een aantal boetes. Deze boetes zijn in alle gevallen opgelegd aan patriotten of zonen van patriotsgezinden. Alle beboete personen hebben in 1785 het rekest ondertekend, waarin voldoening wordt uitgesproken over het besluit van 15 augustus: raad en meente willen voortaan een democratische verkiezing van de magistraat. De inkwartiering van de soldaten - biljetteren werd dit genoemd - biedt kansen tot intimidatie: zij worden ondergebracht bij patriotten! Zinvol is het hier te citeren uit de jaarrekening over 1787, ook om de toon van het daar gestelde: 'Van Hendrik Sandbergen, wegens brutaale woorden voor de Magistraat op het Stadhuis gevoert, om het biljetteeren van een soldaat aan zijn huis; 8-8 [8 gulden en 8 stuivers]. Van de soon van Monsr J.H. Frantzen, Derek Frantzen, wegens een witte papieren gesneeden Lelie aan den hoet gedaan, als een oproerleus in deze tegenswoordige tijt; 28 gulden. Van Monsr. Antonij van Baak, wegens het voorgevallene met een soldaat hier in garnizoen aan het huys van Hendrik Sandbergen; 11 gulden en 12 stuivers. Van de soon van Monsr. Antonij van Baak, Pieter van Baak wegens het voorgevallene met een soldaat hier in garnizoen, op de straate; 4 gulden en 4 stuivers’ <37>. Nog in december is er melding van ongeregeldheden <38>.
Samenvatting en conclusies
Het overzicht van de patriottentijd te Vollenhove, zoals boven omschreven, is gebaseerd op 'officiële' stukken als raadverslagen en betogen. Voor ons onderzoek konden wij niet de hand leggen op meer persoonlijk gekleurde stukken als dagboeken, brieven e.d. Hierdoor is het vaak moeilijk de handelende personen werkelijk te doorgronden en dienen wij met de nodige voorzichtigheid te werk te gaan. Opvallend is de vrij late start van de beweging: voorjaar 1784. Dan is de eerste fase in andere steden, zoals de strijd om het jachtrecht, al voorbij. De vernieuwingsdrang start er naar het voorbeeld van wat in andere plaatsen reeds gebeurt, hetgeen in de protocollen ook uitdrukkelijk vermeld wordt <39>. Die late start zal verklaard kunnen worden uit het streng gesloten regeringssysteem binnen de stad. De initiatiefnemers zijn de leden van de gezworen gemeente. De invloed van de burgerij is gekanaliseerd in hun optreden: zij hadden het volledige vertrouwen van de naar invloed verlangende burgers, onder wie de gecommitteerden van het exercitiegenootschap. Dit vrijkorps speelde overigens een kleine rol in de patriotse beweging. De leden zijn aanwezig, worden een enkele keer genoemd in rekesten, maar blijven op de achtergrond. Zolang dit korps in Vollenhove is, durft de tegenpartij zich nauwelijks te roeren.
Bom en Hupkes zijn de enigen die een klacht indienen wegens beledigingen en baldadigheden, en uit de resolutieboeken blijken verscheidene ongeregeldheden van de kant der patriotten. De magistraat, d.w.z. raad en meente - deze laatste in meerderheid patriots -, weet het optreden van het vrijkorps te waarderen: als een deel van dit korps in Hattem is, wordt er in Vollenhove gecollecteerd om de huisgezinnen van die leden te ondersteunen. De raad besluit er wekelijks een som van 20 gulden uit de stadskas aan toe te voegen. Tweemaal is zo'n bedrag uitbetaald <40>. Het is op zo'n moment, als het korps slechts ten dele in de stad verblijft, dat de tegenpartij actie durft te ondernemen: een demonstratie tegen de achtergebleven korpsIeden, waarbij hun bezittingen het moesten ontgelden. Daders worden niet gevonden, maar door de ongeregeldheden die erop volgen, ziet de raad zich genoodzaakt een burgerwacht in te stellen, waarbij ook het genootschap een rol speelt. Eind februari bestaat het korps nog, maar dan breken de resolutieverslagen af. De patriotse burgerij treedt twee keer op de voorgrond met een rekest.
Maar in beide gevallen wordt het overhandigd en toegelicht voor de raad door vier leden van de gezworen gemeente. Wel een bewijs hoe groot het vertrouwen van die burgers in de meente in 1786 nog was. Nooit is in Vollenhove een aantal burgergecommitteerden naast of tegenover de meente opgetreden, wat in veel andere steden wel voorkwam. Dat diezelfde burgerij zich erg teleurgesteld heeft gevoeld in de gezworenen, toen zij in 1786 hun verzet tegen Bom en Bernard opgaven en zelfs na 1787 aanbleven, kan bewezen worden uit het feit dat slechts een enkel meentelid (J. Hooft) in 1795 in de nieuwe bestuurslichamen opgenomen wordt. Daarvoor komen wel in aanmerking de drie personen die zich het felst tegen Bom c.s. verzet hebben, onder wie Maaskamp en andere ondertekenaars van de rekesten.
Vanaf de aanvang van de patriotse beweging is er verzet bij een deel van de magistraat, gesteund door burgers. Bom en Bernard zijn fel gekant tegen elke vernieuwing, onthouden zich van acties tot herstel der privileges, ook als deze betrekking hebben op approbatie en improbatie. Fel verzetten ze zich ook tegen invloed van de gezworen gemeente op de magistraatsbestelling. Ze zijn de leiders van de orangisten binnen Vollenhove, vooral vanaf 1786 als duidelijk wordt dat het merendeel van de gewestelijke bestuurders zich afkeert van het patriottisme <41>.
Vanaf 1784 zijn de patriotten binnen Vollenhove zeer homogeen en radicaal in hun eisen: niet alleen herstel van historische rechten, maar ook een democratische regeringsvorm. De Lille wees er al op dat het één niet los gemaakt kon worden van het ander en dat stelde hij al bij de aanvang der Vollenhoofse beweging <42>! Van onderlinge strijd is tot 1787 geen sprake: de burgemeesters Van der Linde en Boers werken nauw samen met de meente die de burgerij vertegenwoordigt. Uit geen enkel stuk blijkt onenigheid noch kan worden afgeleid dat deze twee regenten de burgerij voor hun politieke karretje wilden spannen. Zij worden in het Vollenhoofs betoog geprezen om hun gezindheid en de stad wordt gelukgewenst met zulke magistraten. Samen met de gezworen gemeente, gesteund door een groot deel van de burgerij, beijveren ze zich om Vollenhove te bevrijden van de regeringsreglementen. Eensgezind werken allen samen om Vollenhoves bestuur te democratiseren, zoals zij dat in hun tijd opvatten: de verkiezing van de gezworen gemeente door een bij loting bepaald aantal burgers, en de magistraatsleden door de gezworen gemeente.
Op de beslissende momenten, in 1786 tijdens de schepenverkiezing en ook in 1787 na de inval van de Pruisen, weten de leiders zich gesteund door een groot deel der burgerij. Voor wat betreft die aanhang onder de burgers is het noodzakelijk eerst te wijzen op de schaarse gegevens: twee rekesten bieden wat houvast. Daaruit kan worden afgeleid dat ongeveer 70% van de volwassen mannelijke bevolking de patriotse beweging meer of minder steunt. Onder hen bevindt zich de gehele katholieke bevolking. In sociaalopzicht is opvallend hoe groot de aanhang onder de kleine burgerij (laag lIb) is.
Voor Vollenhove is moeilijk te bepalen of er tijdens de Restauratie van 1787 van terreur door orangisten (of van terreur door patriotten vóór 1787) sprake is: de bronnen zijn zeer schaars. Slechts hier en daar wordt melding gemaakt van ongeregeldheden, maar het is zeer moeilijk te bepalen of deze georganiseerd zijn. De inkwartiering van soldaten kan een poging tot intimidatie zijn. In de jaarrekening van 1787, opgesteld door Strik, dus vanaf oktober 1787, worden zware boetes opgelegd aan patriotten die op straat of voor de magistraat moeilijkheden veroorzaken, aanwijzingen maar geen bewijzen voor terreur. Ook kunnen twee mededelingen uit de resoluties illustreren dat de patriotsgezinde groep soms niet aarzelde haar eisen met geweld kracht bij te zetten: Van der Linde en Boers maken al het behandelde in de raad aan de burgerij bekend. Die weet dan wie zich tegen vernieuwingen verzetten! Prompt daarop wordt Bom beledigd door Van Guldenaer. Is er overleg geweest tussen de beide democratische raden en burgers, onder wie Van Guldenaer? Bom voelt zich in elk geval genoodzaakt zich te beklagen over partijdigheid van de beide schepenen in het proces Van Guldenaer. In 1787 wordt Maaskarnp, verwoed patriot, beboet wegens vechten; hij is overigens de enige schuldige die kon worden opgespoord.
Het geheeloverziende, kunnen wij concluderen dat in Vollenhove de patriotsgezinde beweging zeer homogeen was en vrij radicaal in haar eisen, maar dat in haar optreden op de beslissende momenten van dit radicalisme weinig is terug te vinden. De tegenpartij zat daarvoor kennelijk te stevig in het zadel. De burgerij was voor een groot gedeelte vernieuwingsgezind. Er is wellicht een orangistische terreur geweest, zeker intimidatie van patriotten in oktober 1787, maar er zijn ook aanwijzingen dat het vóór de restauratie niet had ontbroken aan 'aansporingen' van de zijde der patriotten om hun zaak te doen zegevieren. Zeer opvallend is in Vollenhove dat de oude machthebbers nog vóór de inval der Pruisen het pleit in hun voordeel hadden weten te beslechten.
Noten
Voor de volledige titelbeschrijving van de in de noten geciteerde werken wordt verwezen naar de 'Lijst van geraadpleegde gedrukte bronnen en literatuur'.
1. Voor dit overzicht is gebruik gemaakt van Westra van Holthe en Slicher van Bath, Samenleving.
2. Westra van Holthe, 224.
3. RAO, 3235-3238.
4. GA Vollenhove, nr A.
5. Ibid., nr. 20, Prothocol van reclames der privilegiën der Stad Vollenhove.
6. Schepenen en raden worden ook burgemeesters genoemd.
7. GA Vollenhove, nr. 20.
8. Het protocol, genoemd in noot 5.
9. Omtrent het leven en de persoon van W. de Lille heb ik geen gegevens kunnen vinden, hoewel hij in het kwartier een grote rol heeft gespeeld, o.a. in Steenwijk. Van activiteiten op gewestelijk niveau is mij niets bekend. Nader onderzoek naar deze jurist is gewenst.
10. In 1779 had hij namens de magistraat een proces gevoerd voor Ridderschap en Steden over bemoeienissen van de drost van Vollenhove met het hoofdofficiersschap voor de stedelijke verdediging. Dit proces was door hem gewonnen.
11. GA Vollenhove, nr. 20.
12. Het eerste gedeelte van zijn rapport zal hier worden behandeld; de overige in de volgende paragraaf.
13. GA Vollenhove, nr. 20.
14. Ibid.
15. Ibid., nr. 2. In een uitvoerige brief van 4 februari 1786 aan Ridderschap en Steden over de conflicten in Vollenhove maken raad en meente van dit feit gewag.
16. Het betoog is opgenomen in l.W. Racer, Overijsselsche Gedenkstukken V, die in zijn voorrede wel verklaart de schrijver van het Twents betoog te zijn, maar dat niet expliciet van het Vollenhoofs betoog zegt.
17. Voor dit betoog zie noot 19.
18. GA Vollenhove, nr. 283. Verslag Extra Ordinaris Vergadering, gehouden te Wilsurn.
19. Ibid., nr. 21,2. Betoog aangaande de bezwaaren der stad Vollenhove omtrent haere rechten en vrijheden. Met bijlagen.
20. Ibid., nr. 22.
21. Ibid., nr. 21,3.
22. Ibid., nr. 22. De eed luidde: 'Dat gij gedurende de jaaren uwer Burgermeesterschap zult wharen en hoeden der Stad raat, der Stad regt, der Stad bederve, en dat gij tot Nije Schepenen zult kiesen geenen anderen dan die bij meerderheit van Schepenen en Raad daar toe voor de stad best beagtet zullen weesen'.
23. Ibid., nr. 21.5.
24. Resolutie, aangehaald in het betoog, genoemd in noot 19 (23).
25. Aangehaald in een brief aan Ridderschap en Steden van 4 februari 1786.
26. GA Vollenhove, nr. 2:16-17 mei 1785 en 27 januari 1786: geen concrete feiten. 3 april 1786: klacht van Bom en een zekere Hupkes over beledigende woorden op hun deuren, maar zonder vermelding van tekst; 31 augustus 1786: één schuldige wordt opgespoord: Willem Maaskamp, een verwoed patriot, wegens vechten en belediging beboet.
27. De inhoud van het schepenvonnis heb ik noch in het archief te Vollenhove noch in Zwolle, waar de rechterlijke archieven van het gewest berusten, kunnen vinden.
28. GA Vollenhove, nr. 2.
29. Ibid.
30. Ibid.
31. In de resolutieboeken zijn geen verslagen opgenomen over de periode van 21 februari 1787 tot 6 december 1787. Hierdoor is het moeilijk een sluitend overzicht te geven van de restauratieperiode.
32. GA Vollenhove, nr. 21. Opgenomen in het Vollenhoofs betoog.
33. Dat Maaskamp van partij of factie zou zijn veranderd, is ook in strijd met de gebeurtenissen in 1795, toen hij een van de leiders van de omwenteling was.
34. GA Vollenhove, nr. 2: 'daar deeze Bernard en Bom niet alleen de verdediging der Rechten en Vrijheden deezer Stad tegengaan, en derzelver Rechten en Vrijheden verkleinen, en in verscheiden opzichten daar tegen pleiten; maar ook op eene alder gruwelijkste en verregaende wijse de Remonstranten en de Burgerij van deeze stad en bijsonder ook de Predikanten hebben gelastert .... .'.(rekest van de burgerij).
35. Zie noot 18.
36. GA Vollenhove, nr. 20 I, jaarrekening 1787.
37. Ibid.
38. Ibid., nr. 2.
39. Zie noot 5.
40. GA Vollenhove, nr. 2.
41. AGN VIII, 149.
42. Zie noot 13.
Bovenstaand artikel is een verkorte bewerking van de M.O.-scriptie Stad Vollenhove in de jaren 1780-1787 (Noordelijke Leergangen Zwolle 1976) van drs. G. Winter, gepubliceerd in Historische bijdragen, VORG 1984, p.166-180.