door Jan de Weille
Inleiding
Het stadsarchief van Kampen is een rijke bron van gedigitaliseerde historische documenten. In het stadsarchief worden documenten, naast een soort samenvatting (regest) bewaard. De regesten zijn doorzoekbaar. Het archief bezit (scans van) twee met de hand geschreven officiële oorkondes met betrekking tot één van de meest gedenkwaardige periodes in de geschiedenis van Overijssel en in die van Vollenhove in het bijzonder. Ik heb het dan over de overdracht van het Sticht en het Oversticht door de bisschop aan Karel V, keizer van het Heilige Roomse Rijk, en de installering van George Schenk van Tautenburg als eerste stadhouder van Overijssel (oorkonden 427 en 428). In de oorkonde 425 uit het jaar 1528 werd de benoeming van Georg Schenck (1480-1540) als nieuwe stadhouder bekrachtigd en begon de geschiedenis van de provincie Overijssel waarvan we in 2028 het 500-jarige bestaan vieren.
Eerst wordt heel in het kort de historische context geschetst en de oorkonde van 11 september 1524 besproken, waarin de bewoners van het Oversticht op bevel van de keizer met rust moeten worden gelaten.
De historische context
Karel de Ve werd in 1500 in Gent geboren. Op 6-jarige leeftijd erfde hij de Bourgondische Nederlanden van zijn vader, die hij samen met zijn grootvader Maximiliaan en later met zijn tante Margaretha regeerde. Margaretha zou nog lang landvoogdes van de Nederlanden blijven. Haar taak werd in 1530 overgenomen door de zus van Karel, Maria van Oostenrijk. In de familie heetten ze allemaal ‘van Oostenrijk’ omdat die familie de hertogen van dat rijk leverde.
Rechts: de indeling van het Duitse rijk ca 1512 met in het groen de Bourgondische erfgebieden
Toen Karel 19 was, overleed zijn grootvader Maximiliaan I van Oostenrijk en stelde hij zich kandidaat om door de zeven keurvorsten tot niewe keizer van het rijk te worden gekozen. De keizerskroon was namelijk niet erfelijk. De belangrijkste tegenkandidaat was François I van Frankrijk, die wilde voorkomen dat Karel, naast koning van Spanje, ook nog eens keizer van het Heilige Roomse rijk zou worden, waardoor Frankrijk aan twee kanten zou worden ingesloten. Na heel veel gerommel, met de hulp van zijn tante Margaretha en door omkoperij werd Karel tot keizer van het Heilige Roomse Rijk gekozen. Het hertogdom Bourgondië was ook een punt van wrijving tussen Oostenrijk en Frankrijk, gezien het onderdeel uitmaakte van het Franse koninkrijk. Doordat de hertogen van Bourgondië, voornamelijk door slimme huwlijken te sluiten in de 14e en 15e eeuw eigenaar werden van het economisch centrum van Europa destijds, Vlaanderen, met daarin Brugge en Gent, staken ze daarmee qua macht de Franse koning naar de kroon#1. Tradititioneel boterde het dus niet tussen de Bourgondische hertogen en de Franse koning. De laatste kon al helemaal niet goed verkroppen dat het Oostenrijk van Maximiliaan (ook weer door een huwelijk) de baas werd in zijn eigen achtertuin. Na een gewapend conflict eind 15e eeuw moest de Franse koning grote delen van het hertogdom Bourgondië opgeven.


Het bisdom Utrecht (ca 1550, bruin-geel) en in het rood het Sticht en het Oversticht (14e eeuw)
Karel had de Oostenrijkse en dus ook de Bourgondische tak van zijn erfenis best wel stevig in de hand, maar de macht over de rest van het Duitse keizerrijk was problematisch, iets waar de keizers na hem ook mee worstelden. Het was een soort lappendeken waar de lokale vorsten vaak maar deden wat ze uitkwam. Een deel van wat nu Nederland heet maakte deel uit van de Westfaalse Kreits. Dat gebied werd door meerdere vorsten bestuurd, waaronder de hertog van Gelre, de bisschop van Münster en, voor ons belangrijk, de bisschop van Utrecht. De bisschop van Utrecht had twee petten op, of eerder een pet en een mijter. Hij was geestelijke leider in een groot deel van de noordelijke Nederlanden en de wereldlijke leider van het Sticht (nu provincie Utrecht) en het Oversticht (nu min of meer Overijssel en Drenthe). De wereldlijke macht van de bisschop van Utrecht stamde uit het begin van de 12e eeuw toen opeenvolgende Duitse keizers hun macht aan de bisschop delegeerden.
Tussen het Sticht en Oversticht lag het hertogdom Gelre dat eerst door de Bourgondische hertog Karel de Stoute veroverd was, daarna even onafhankelijk was, weer teruggewonnen door Filips de Schone (de vader van Karel V) en uiteindelijk weer onafhankelijk geworden, mede door de bemoeienissen van de koning van Frankrijk, François I, die nooit te beroerd was om Karel de 5e een stok tussen de spaken te steken. De hertog van Gelre, Karel van Egmont, gesteund door Frankrijk gooide zich in de twisten tussen Oost-Friesland (nu in noord-Duitsland) en West-Friesland (wat nu Friesland is) en veroverde daarbij grote stukken van het Oversticht en het gebied ten oosten van Groningen, het Ommeland. In 1521 benoemde Karel V een van zijn veldheren en sinds 1502 schout van Vollenhove#2, Georg van Tautenburg, tot stadhouder van het pro-Gelderse anti-Habsburgse Friesland om orde op zaken te stellen. Dat lukte aardig, maar hertog Karel van Gelre was daarmee nog niet getemd.
Na het overlijden van bisschop van Utrecht, Filips van Bourgondië-Blaton, op 7 april 1524 werd Hendrik van Beieren in dat jaar door de plaatselijke geestelijkheid tot bisschop gekozen. Hij was nog niet eens door de paus gewijd toen de problemen met zowel de lokale bevolking als de hertog van Gelre weer oplaaiden. De expansiedrift van de Gelderse hertog bracht de bevolking van het Oversticht in het nauw en hun handel met de buren kreeg een knauw. Keizer Karel poogde dat handelsprobleem aan te pakken met het volgende decreet.

Rechts: de oorkonde van 11 september 1524
Oorkonde 425
De oorkonde van 11 september 1524 begint met een uitgebreide titel van keizer Karel:
Kaerle byder gracie gods gecoren Roomsch keyser alttyt vermeerder ’sRycx, Coninck van Germanie, van Spaengnen, van Arragon van Navarre, van beiden Cecillien, van Ihlrin, van Hongrie, van Daemacie, van Croacie ende eertshertoghe van Oistenrick, hertoghe van bourgongnen, van Lothr. van Brabant van Stier van Carinte, van Crain, van Lembourg van Luxembourg ende van Gelre, grave van van Vlaendren van Hasbourg, van Tirol, van Artois, van Bourgongne, palsgrave ende van Henegouwe Lantgrave van Elsace, prince van Zwanen, marcgrave van Burgano ende des Heijlige Rycx, van Hollant van Zeellant, van Phiert van Tuburg van Namen ende van Zutphen, grave heere van Vrieslant van den Windismarck, van selanome van de portenano, van Salme ende van Mechelen etc. (‘Gecoren’ betekent gekozen.)
In deze oorkonde richt Keizer Karel zich tot de grote raad van Vlaanderen en de raden van Holland, Zeeland, Friesland, Henegauwen en Namen, waar hij zegt het op te nemen voor zijn tederbeminde (nene) ‘neef’ de Bisschop van Utrecht. Met neef wordt niet een familielid bedoeld maar dat van een gelijkgezinde zoals in ‘wapenbroeders’, dat ook geen famileverband aanduidt:
van wegen den hoochweerdichen vader in gode onsen lieven ende zeer geminden nene des elects van Utrecht is ons verthoont gheweest hoe zijne landen ende omdersaten van ’t lant van overysel binnen zekeren jaeren herwaerts groote ende zwaere lasten ter causen van der oirloghen tegens den gelreschen ende anders gehadt hebben, dairtoe zij groote sommen van penningen hebben moeten smeren.
Van wege de oorlogen tegen Gelre hebben de onderdanen van Overijssel grote sommen moeten ‘smeren’ (d.w.z. ophoesten). Daarnaast werd de handel onmogelijk gemaakt:
en zouden zij inde selve nyet dorren verkeren noch commerseren, noch huere coopmanscepen of andere goeden bringhen noch zenden, zoe zij van onts ghewoenlijck zijn te doene.
De oorkonde gaat verder met: Daarom, en op verzoek van de bisschop van Utrecht, en ter bevordering van de handel en het algemeen nut, verlenen wij de inwoners van Overijssel een vrijgeleide. Van vandaag tot 6 januari 1526 mogen zij vrij en veilig reizen, dag en nacht, te voet, te paard, over land of water, met of zonder handelswaar, door al onze landen. Niemand mag hen, hun knechten of hun goederen arresteren of hinderen vanwege schulden van de steden of het platteland van Overijssel. Wij bevelen dat iedereen deze vrijgeleide moet respecteren en dat eventuele arrestaties of inbeslagnames onmiddellijk en kosteloos moeten worden opgeheven. Van deze brief moeten meerdere copiën in verschillende plaatsen worden opgehangen. Is opgetekent in ons huis te Den Haag, op 11 september 1524.

Karel V door Lambert Sustris, en François I door Jean Clouet
De overdracht en de installering van de stadhouder
Met dit bevel van keizer Karel zou er voor een paar jaar een eind aan de oorlog tussen Gelre en het Sticht moeten komen en zouden de bewoners van het Oversticht zich weer gewoon aan hun dagelijkse besognes kunnen wijden. Helaas verkoos de bevolking van het Sticht de hertog van Gelre boven de bisschop als landheer. Daardoor aangemoedigd viel Hertog Karel van Egmond in 1525 het Oversticht aan en bezette Enschede. Hasselt en Genemuiden werden ook ingenomen. De rust van de bevolking van het (Over-)Sticht was dus van korte duur. In 1527 trok zijn legeraanvoerder, Maarten van Rossum, de stad Utrecht binnen. Na deze nieuwe aanvallen zocht bisschop Hendrik van Beieren van Utrecht de steun van de keizer. Die steun zou hij krijgen op voorwaarde dat hij het wereldlijk gezag over het Sticht en Oversticht aan hem zou afstaan. Zo geschiedde. De overgave werd officiëel in het verdrag van Schoonhoven van 15 november 1527.

De oorkonde van 7 januari 1528
Een paar maanden later, op 7 januari 1528, heeft Karel V in Utrecht een oorkonde (#427) laten opstellen die, in het kader van de overdracht van de wereldlijke gebieden van de bisschop van Utrecht aan de Keizer, de situatie van het Oversticht preciseerde. Vanaf die datum bestond Oversticht daarmee niet meer en zou het officiëel Overijssel gaan heten. De Keizer werd in Utrecht vertegenwoordigd door de edele en hooggeboren heer Floris van Egmont, graaf van Buren en Leerdam, heer van IJsselstein, etc, kapitein‑generaal van Zijne Keizerlijke Majesteit in diens Nederlandse gebieden; heer George Schenck, vrijheer van Tautenburg, stadhouder van de Keizer in Vriesland; meester Gerrit Mulart, raadsheer en meester van de verzoekschriften in de geheime en grote Raad van de Keizer; meester Joos Sasbout, ordinaris raadsheer; en meester Pieter van Sint-Pieters, ordinaris secretaris in Holland.
Floris van Egmont had ten tijde van de bijeenkomst al een veelbewogen leven achter de rug. Hij was de vertrouweling en ver familielid van Filips de Schone, de vader van Karel V, en diende daarna de landvoogdes van de Nederlanden, Margaretha van Oostenrijk. In 1505 werd hij toegelaten tot de selecte orde van het Gulden Vlies. Hij is ook nog een paar jaar stadhouder van Gelre en daarna van Friesland geweest. In 1523 werd hij door Karel aangesteld als bevelhebber van het leger in de noordelijke Nederlanden en heeft in die hoedanigheid expedities tegen zijn achterneef, Karel van Egmont, de graaf van Gelre ondernomen.
Heer Georg Schenck (1480-1540), vrijheer van Tautenburg, oorspronkelijk toch echt met ‘au’ geschreven, behoeft geen introductie.
Gerrit Mulart was aan het begin van zijn carriere, einde 15e eeuw, rentmeester van Salland en daarna één van de vier requestmeesters van de grote raad van Mechelen, het hoogste rechtscollege van de Bourgondische en Habsburgse Nederlanden. Een requestmeester beoordeelde verzoekschriften en sprak soms vonnissen uit. Oorspronkelijk wilde Filips de Schone dat de raad ook het parlement van Bourgondië zou vormen, maar de koning van Frankrijk vond, omdat de hertog van Bourgondië officiëel Frans onderdaan was, dat één parlement (dat in Parijs) wel genoeg was. De geheime raad, waar Gerrit ook deel van uitmaakte, heette zo omdat die vertrouwelijke adviezen aan de vorst gaf, waar verder niemand iets mee te maken had.
Ordinaris staat voor ‘gewoon’ ofwel met een vaste betrekking. Meester Joos Sasbout was gewone raadsheer en Pieter van Sint-Pieters gewone secretaris van Holland. Nadat Gelre werd verslagen benoemde Keizer Karel Joost Sasbout tot kanselier van Gelre en Zutphen.
Pieter van Sint-Pieters hield als Secretaris van het Hof van Holland toezicht op juridische en bestuurlijke processen binnen het belangrijkste bestuursorgaan van het graafschap. Pieter was o.a. in 1534 belast met de delicate besprekingen met Karel van Egmont.
Deze hoge heren aan de ene zijde spraken met vertegenwoordigers van het Oversticht aan de andere zijde: Jan Mulart, rentmeester van Salland; Burchard van Westerholte, drossaard (drost) van Vollenhove; Lubbert Mulart, schout van Hasselt en opperbevelhebber te Genemuiden; Jan Stollinck, kastelein van Kuinre namens de ridderschap; Gerrit Kryt en Hendrik Plaetman, raadsleden; Hendrik ter Spille, secretaris van de stad Deventer; Lubbert van Hattem, Gerrit Burcharts, Jan van der Vecht en Tyman van den Veen, raadsleden; Jan Breda, secretaris van de stad Kampen; Jan van Herwaarden, raadsman; Werner Puffelinck, secretaris van de stad Zwolle, allen gedeputeerden van de drie genoemde steden, gezamenlijk namens de ridderschap, de steden en het land van Overijssel.
Jan Mulart (voluit Johan Mulart Gerritszoon) volgde zijn hierboven genoemde illustere vader Gerrit op als rentmeester van Salland, d.w.z. de persoon die de belasting inde en de boekhouding daarvan bijhield. Lubbert was ook van de familie. De familienaam, die nu Mullert wordt geschreven, is vanaf het begin van de 18e verbonden met Vollenhove, want toen kocht Derk Boldewijn Mulert in 1712 de havezate ‘de Oldenhof' van Diderick van Wylich tot Preabsdink. Hiermee kreeg hij toegang tot de Ridderschap van Overijssel dat samen met de drie IJsselsteden Deventer, Kampen en Zwolle de Overijsselse Staten vormde.
Het geslacht Westerholt is afkomstig van het landgoed Westerholt, bij Herten, net ten noorden van Essen in Duitsland. Het had lange tijd eigendommen en belangen in en om Vollenhove. Burchard van Westerholte was drost van van Vollenhove van 1521 tot aan zijn overlijden op 17 december 1540 en werd begraven in de St. Nicolaaskerk aldaar. Burchard was lid van de Ridderschap van Drenthe en later die van Overijssel en werd in 1521 benoemd tot Drost van Vollenhove. Westerholt, destijds een havezate op de hoek Bentstraat/Groenestraat van Vollenhove, kwam pas in het midden van de 17e eeuw aan zijn naam. De havezate bestaat nu niet meer.
Gerrit Kryt en Hendrik Plaetman waren (gemeente-)raadsleden van Deventer en Hendrik ter Spille, secretaris aldaar. Samen met vertegenwoordigers van Kampen, Zwolle en de ridderschap vertegenwoordigde ze de Staten van het nieuwe Overijssel.
Na de lijst van aanwezigen die bij de behandeling van het verdrag betrokken waren volgen de verplichtingen en rechten van beide zijden. Ten eerste beloven de afgevaardigden (gedeputeerden) van de ridderschap en steden namens Overijssel dat zij, zodra de toestemming van de heren van Utrecht is verkregen, de Keizer, zijnde hertog van Brabant en graaf van Holland, als hun erfheer zullen erkennen en hem, zijn erfgenamen en nakomelingen trouw zullen zweren.
Dat zyluyden, die stede ende landen van Overyssell, soe bald ende geringe, hemluyden gethoent sall wesen consent van mynen gen. heren van Utrecht, De key. ma. tegenwoirdich
Zitting van de grote raad in Mechelen ten tijde van Karel de Stoute van Bourgondië
voer hem zynen erven ende nacomelingen als hertogen van Brabant ende graven van Hollant tot haren erfheren ontfangen ende solempnelick voir hemluyden, hueren erven ende nacomelingen, huld ende eedt doen sullen zoo dat behoirt.
De keizer van zijn kant belooft dat Overijssel al zijn landrechten, stadsrechten, leenrechten, dijkrechten, privileges, vrijheden, bezittingen en gebruiken, zowel van de Hanze als andere mag behouden. Iedereen zal recht kunnen verkrijgen of worden berecht zoals dat in Overijssel gebruikelijk was. Een klein probleem dat geregeld moest worden was dat het Sticht en Oversticht tot dusver tot gebied van de Roomse kerk gerekend kon worden. Een clausule was daarom ingevoegd die stelde dat indien door deze veranderingen enige last of schade ontstaat door pauselijke instanties of anderen, dat dit niet ten koste zal gaan van Overijssel. Indien nodig zal de Keizer pauselijke goedkeuring verkrijgen.
Of t doer dese mutatie ende veranderinge den landen, steden ende Ingesetenen van Overysell enigen last of moyte aengedaen wordde van paeubsen of yemant anders nu of in toecomynden tyden sall dat buyten hynder cost of schade der landen, steden ende ondersaten vor. afgedaen ende indient noot is approbatie van onsen hilligen vader den pauws vercregen wordden.
Daarna volgt de verzekering dat de gebiedsgrenzen van Overijssel, die door de invallen van Gelre verschoven waren, hersteld zullen worden. De Keizer zal geen onderhandelingen met Gelre voeren zonder dat Overijssel daarin wordt betrokken. Gelre zal versterkingen die het gebouwd had moeten afbreken en de jaarlijkse belasting van 500 gulden die de hertog van Gelre aan Zwolle had opgelegd wordt nietig verklaard.
Het westen van de nederlanden had continu behoefte aan energie en voorzag daarin met turf uit de veengebieden uit het oosten. Om geen gebrek in Overijssel te creëren was de volgende passage opgenomen: Gedurende drie jaar, van Pasen tot Sint-Laurens, mag er geen turf uit het Oversticht worden uitgevoerd, op straffe van verbeurdverklaring van schip en lading. Na deze drie jaar zal de Keizer passende maatregelen treffen om brandstofvoorziening (‘brande’) binnen Overijssel te waarborgen.
De naeste drie jaren van paeschen tot Sanct Laurzens dach, gheen torf uuyten Oversticht gevuert te werdden opde verbuerte van schip ende torf, die tweedelen tot profijt vanden keyser, ende ’t derdendeell tot profijt vanden aenvangere, ende ‘t enden de drie jaren zulcke provisie doen sall als van nooden endebehoirlicken wesen sall, ofte dat de key. ma. van stonden an van elcker last torfen uuyten Overstichte gaende tot zijn Ma. profijt nemen sall eenen ouden schult op dat ’t lant van Overyssell van brande bynnen ’s lants voorsien blyve.
Na nog wat provisies die de schulden en lasten van de partijen regelden, waaronder die van de afgezette bisschop, werd overgegaan tot bekrachtiging en ondertekening van de oorkonde:
De genoemde heren en commissarissen beloven dat alles door de Keizer zal worden geratificeerd en goedgekeurd. Overijssel zal de benodigde zegels en brieven leveren op de dag dat zij de Keizer hulde en eed doen. Ter bevestiging hebben beide partijen twee gelijkluidende brieven opgesteld, ondertekend en verzegeld. Wij, Floris van Egmont, graaf van Buren en de burgemeesters, schepenen en raad van de stad Kampen hebben zulks gedaan te Utrecht, op de zevende dag van januari van het jaar 1528.
Des toirconde hebben die vors. heren comisarien ende gedeputeerde vorgen twee brieven alleens ludende van woirde te woirdde daer elck van partyen, een of heeft mit hore gewoentlicke hantscriften onderteykent ende samentlick gebeden den edele waelgeborenheer den grave van Bueren voir genoet ende den eersamen burgermeisten scepenen ende raedt den stadt Campen, over hemluyden allen, ende die selve stadt, die vors. brieven te wyllenbesegelen, t welck wy Floris van Egmont, grave to Bueren sampt burgermeysten en scepenen ende rade vors alzoe gedaen hebben den seevenden dach van januarie anno g v c acht ende twyntich maer scryven van Utrecht
In het jaartal staat ‘v c’ voor de romeinse cijfers 5 en honderd. Je zou denken dat 1500 ‘m v c’ zou zijn, maar kennelijk werd het duizental in die tijd niet altijd genoemd, want dat sprak blijkbaar vanzelf. De ‘g’ staat voor zoiets als ‘gerekend vanaf’. Dus ‘de 7e dag van januari gerekend vanaf het jaar 500.
Opmerkelijk is dat, naast Kampen, de andere twee steden, Deventer en Zwolle, niet genoemd worden in de aftiteling, terwijl o.a. Gerrit Kryt, Hendrik Plaetman en Hendrik ter Spille uit Deventer zowel als Jan van Herwaarden en Werner Puffelinck uit Zwolle de oorkonde wél ondertekent hebben. Daarnaast zijn de handtekeningen te onwaren van: graaf Floris, Georg Schenk van Tautenburg, twee van de drie Mularts, Jan Breda, Johan Stollinck, Tyman van der Veen en het signum (herkenningsteken) van de notaris.
Oorkonde 428
Nog een paar maanden later, 21 april 1528, werd de benoeming van George Schenk als stadhouder van het nieuwe Overijssel bekrachtigd met een oorkonde. Bij de bekrachtiging werd de keizer vertegenwoordigd door George Schenk en waren er natuurlijk ook andere notabelen aanwezig:
Wy george Schenck vryheer tot Tautenborch Stadtholder generaal van wege roemsche keyzerlicke maiesteyt in vrieslant ende die landen van overyssel Johan van twickelo drost van twente, Johan mulart Rentmeyster van Sallant, Jan van Ittersum, drost van ysselmuyden, lubbert mulart scholt te Haselt, overste beveelhebber te genemuyden, Gerret van thye, Elbert Scheele, wouter van Covorden, voer ons selves ende als volmachtiche gedeputeerde van wege der Ridderscap ende landen, Sallant ende twent Gerrijt kryt Henrick Plaetman Dierck van Brunsvelt, engbert van doetingem gedeputeerden der stadt deventer, Lubbert van Hattem, Gerryt borgerts. Jan vander vecht, Claes kroeser gedeputeerden der Stadt Campen Johan van herwerden Johan vanden Mars, rutger hermens. ende henrick mulart gedeputeerden der stadt swol.
Jan en Lubbert Mulart, Gerrit Kryt, Hendrik Plaetman, Jan van der Vecht, Lubbert van Hattem, Gerrit Burcharts en Jan van Herwaarden waren ook al bij de vorige plechtigheid op de 7e februari aanwezig. Henrick Mulart was een neef van de twee broers Jan en Lubbert. De vergadering begint er mee, in opvolging van het traktaat van 21 januari, trouw te zweren aan Karel V en bij extensie aan George Schenk zijn vertegenwoordiger in Overijssel:
Navolgen den tractaet van wegen der keyserlicker majesteit ter eenere, ende gedeputeerden van ridderscap ende steden deser landen van overijsell ter andere syden gemaeckt vanden date den sevenden januarij lestleeden ende confirmatie van der keyserlicke maiesteit daer na gevolget wij gedeputeerde voer ons die ridderscap ende die selve steden op dach van huyden ontfangen, huld ende eedt gedaen hebben, als hyr na volget, wij ontfangen voer ons, onsen erven ende nacomelingen, den edelen walgeboren heren, heer george schenck, vryheer tot Tautenborch, Stadtholder generaal in vrieslandt, ende der landen van Overijssel etc in de stat ende van wegen des alredoerluchtichsten, hoeggeborensten onverwintelicksten fursten ende heren, heer Kaerle byder genad godts keyser van Rome die vifste, als hartoge van Brabant ende grave van Hollant tot eenen erfhere, loeven ende sweeren voer ons, onsen erven ende nacomelingen, den voerg. heere, inden naem van Roemsche keyserlijke majesteit, als hertog van brabant, ende grave van Hollant, syne majesteit erven ende nacomelingen inden voer. hartochdom ende grefscap, trou ende geholt te syn, syner majesteit ende der selver erven ende nakoemelingen voer., beste te doen ende archste te kyren, ende voert all te doene dat guede getrouwe ondersaeten by hoeren natuerlicken lantseersten ende erfheren behoerenden ende schuldich sint te doene soe moet ons godt helpen ende alle syn hilligen.
Hierboven betekent ‘in de stat’ in plaats van, zoals in ‘stadhouder’. De titel van Keizer Karel werd tot vervelens toe voluit geschreven: “de allerdoorluchtichsten, hooggeborensten onverwinnelijkste vorst en heer, de heer Karel, bij de genade gods keyser van Rome, de vijfde, alswel hertog van Brabant en graaf van Holland. Soms kon het nog mooier als zijn buitenlandse titels ook de revue passerden zoals die van koning van Oostenrijk en hertog van Bourgondië. Karel was keizer van het Heilige Roomse Rijk, vandaar dat hij zich keizer van Rome liet noemen.
Voerg., voer. of voir. zijn afkortingen van ‘voorgenoemde’.
De oorkonde van 21 maart 1528
Daarna belooft George Schenk zijn best te doen voor weduwen en wezen zowel als de rechten van de bewoners van Overijssel. Daarna worden al die rechten opgenoemd, hetgeen een herhaling is van het traktaat van 7 januari 1528.
De oorkonde eindigt met:
… hebben wij george schenck Stadtholder voer. onsen segel ende wij Burgemeysteren Scepen ende raedt der Stadt Campen soe veel over ons selfs als over die voer. gedeputeerde tot hoeren erenstlicken versoecke, onser stadt segel tot oerkonde, hyr an doen hangen den eenentwintichste dach van maerte int jaer ons heren duysent, vif hondert ende achtentwintich na ‘t gemeen scryven.
Daarom hebben wij, George Schenck, stadhouder, ons zegel, en wij burgemeesters, schepenen en raad van de stad Kampen, zowel namens onszelf als namens de eerdergenoemde gedeputeerden, op hun ernstig verzoek, ons stadszegel ter bekrachtiging hieraan laten hangen de eenentwintigste dag van maart in het jaar van onze Heer duizend vijf honderd en achtentwintig volgens de algemene jaartelling.
Om de zegels te bevestigen werd de onderrand van het document gevouwen. Daardoor bleven de handtekeningen van deze oorkonde onder de plooi.
Het zou nog wat jaren duren voordat keizer Karel, hertog Karel zou verslaan. De capitulatie van Gelre en de in bezitname van het hertogdom door Karel V werd getekend in het verdrag van Venlo in 1543. Bij zijn aftreden in 1555 heeft keizer Karel de Nederlanden aan het keizerrijk onttrokken en het koninkrijk van Spanje toegevoegd. Die afsplitsing verliep geruisloos doordat de broer van Karel V, Ferdinand I van Oostenrijk, tot keizer werd verkozen. De zoon van Karel V, Filips II, werd de koning van Spanje en de heerser over de Nederlanden.
Floris van Egmont en Karel van Egmont
#1 De Bourgondiërs, aartsvaders van de lage landen. Bart van Loo, 2020, de bezige bij, Amsterdam