het nieuwe Oldhuis, uit 1881In de zijgevel van het huis Bisschopstraat 16 bevinden zich muurankers die samen de naam OLDHUIS vormen. Daar heeft de havezate Oldhuis gestaan. Het oorspronkelijke huis is afgebroken omstreeks 1875. Het had een topgevel aan de Bisschopstraat, alle kamers gelijkvloers; en een zolderverdieping met vliering. 

In de Overijsselse almanak van 1846 wordt gemeld, dat vanaf 1598 deze havezate behoorde aan het geslacht Rengers en dat in dat jaar eigenaar was Gerhard van Warmelo, landdrost van Vollenhove.

1550 - 1700 Sloet tot Oldhuys

Vanaf 1545 verscheen Barthold Sloet (?-1601) als ridder op de landdag. Hij was een zoon van Johan Sloet tot Tweenijenhuizen (<1460->1535) en Mechteld van Apeldoorn (?-1567), en de jongste broer van Jan of Johan Sloet: de Oude (1519-1597). In 1554 verkocht hij een strook grond aan zijn buurman Hagen (maar er zat nog een huis tussen, dat van Peter Jans Wolters).

Zoon Volkier Sloet (1563-1624) werd van Oldhuis verschreven in 1602. In 1623 solliciteerde hij naar het drostambt van IJsselmuiden en schreef aan Kampen, dat hij een der oudsten was, die ten landdage verschenen. Hij was van 1610-1611 lid van GS, en van 1616-1620 afgevaardigde naar de Staten-Generaal. Zijn zoon Hendrik (1610-1673) trouwde in 1645 met Everdina van Uterwyck, ging in het huis van zijn schoonouders aan de Groenestraat wonen en noemde het Cannevelt, waarvan hij zich vervolgens liet verschrijven in de Ridderschap. De oudste zoon Barthold (1605-1639) werd op Oldhuis in 1628 voor zes vuursteden aangeslagen.

Opzweringsstaat Volkier Sloet tot OldhuisHiernaast staat afgebeeld de zogenaamde opzweringsstaat van Volkier Sloet tot Oldhuis (1634-1669) met vier kwartieren. Vanwege de havezate Oldhuis te Vollenhove werd hij in 1659 geadmitteerd in de Ridderschap van Overijssel. Van 1665-1667 vertegenwoordigde hij Overijssel in de Raad van State. In 1667 werd hij commandeur van de Duitse Orde, balije Utrecht. Zoals blijkt uit zijn kwartieren stamde zijn moeder Anna Margaretha von Waltmanshausen, uit een Duits geslacht. Haar vader was Borchard von Waltmanshausen uit de Pfalz, die als kolonel in garnizoen met de Zwolse Lebuïna van Ryswyck huwde.

Deze kleinzoon van de eerdergenoemde Volkier Sloet verzocht in 1659 aan het College van de Volle Stoel om een perceeltje van de Weme(kamp) te huren, strekkend van de oude hut van Jonkheer Hagen of de hoek van de stadswal tot aan het land, dat hij onlangs van Jonkheer Geert Sloet had gekocht. Op 21 november werd door dat College besloten het te bekijken en na bevinding van zaken met verzoeker overeen te komen. Daarop verzocht Jonkheer Hagen, omdat van de door hem gehuurde Wemekamp een perceeltje aan Jonkheer Volkier Sloet in erfpacht en een perceeltje aan Jonkheer Willem Dompselaer in koop was afgegaan, gedeeltelijke ontheffing van dijklasten.
Door de Volle Stoel werd 30 september 1661 besloten, dat hij zelf met Jonkheer Volkier Sloet huur en dijklasten moet overeenkomen. Met Volkier Sloet en later zijn erven ontstond over dit perceeltje een probleem, dat in vergaderingen van de Volle Stoel van 1668, 1675 (2x), 1676, 1683 en na 1690 (23 mei) ter tafel kwam en met een akkoord eindigde. 

In 1690 werd een deel van het perceel verkocht aan achterbuurman Van Voorst op havezate Westerholt.  In 1697 verkocht Barthold Maurits Sloet de havezate aan Reinier Lodewijk Gansneb genaamd Tengnagel. Met zijn overlijden in 1700 stierf de oorspronkelijke tak Sloet tot Oldhuys uit. 

1700 - 1880? Gansneb genaamd Tengnagel (later noemden zij zich Sloet tot Oldhuis)

In 1697 werd Reinier Lodewijk Gansneb genaamd Tengnagel (geb. Kampen, 1670-1705) van Oldhuis verschreven.  Hij sloot huwelijksvoorwaarden te Vollenhove op 23 november 1695 met Aleida Gerdelina Gansneb genaamd Tengnagel (1660-1736), een dochter van Lodewijk G gnd T tot Marxveld. In 1698 werd zijn dochter hier geboren, ze werd slechts 2 jaar oud. Er volgden nog drie zoons, waarvan de oudste, Reinier Adriaan (1696-?) van Oldhuis werd verschreven in 1722. 
In 1735 droeg moeder de havezate Olthuys, bestaande uit huis, hof en schuur met recht van verschrijving en andere adellijke privilegi├źn, recht en gerechtigheid die daarbij behoren over aan een andere zoon, Lodewijk Arend (?-1750), die zijn huis Hogehuis bij IJsselmuiden ruilde met zijn broer - maar in Kampen bleef wonen
Hij was gehuwd met Margaretha Wilhelmina Frederica Mulert, zuster van de eigenaar van de Oldenhof. De erfgenamen van Mulert verkochten in mei 1742 de havezate Oldenhof aan Lodewijk Arend, en  nadat hij in 1743 de onder de Oldenhof ressorterende goederen had laten taxeren kon hij vanwege die havezate worden verschreven.
Het paar had twee zwakbegaafde zonen, Reinier Jan (?-1763, ongehuwd) en Derk Boldewijn Hiddo (?-1781). Deze laatste joeg zijn geld er door, zodat eerst de Oldenhof en vervolgens in 1776 Oldhuis moest worden verkocht. De weduwe van Jan Adriaan Joost Sloet, in leven heer van Diepenbroek, Westerholt en Oye, burgemeester van Zutphen werd eigenaresse maar deed hetzelfde jaar afstand ten behoeve van haar jongste zoon Ludolph E. W. S. Sloet van het recht van eigendom in en aan het allodiale riddermatige huis en havezate Oldhuis c.a. te Vollenhove, met het recht van verschrijving in de Ridderschap dezer provincie, onder voorwaarde, dat die zoon na haar dood het weder in de boedel moest brengen.  Deze zoon werd van Oldhuis verschreven in 1778 en huwde met Anna Geertruid Baronesse van Broeckhuysen. Zijn broer Robert A.B.J. Sloet was in 1772 verschreven van Westerholt.
Bij de boedelscheiding tussen de kinderen van wijlen Jan A. J. baron Sloet en Wilhelmina A. E. E. baronesse van Heeckeren van 21 augustus 1782 ontving Ludolph Sloet o.a. de adellijke havezate het Oldhuis met de daarbij behorende hof en het recht van verschrijving in de Ridderschap van Overijssel, gelegen in de stad Vollenhove, voorts Rieken Kelders - Goor, gelegen in het Scholtambt van Vollenhove, leenroerig aan de huize Tweenijenhuizen. In de huwelijksvoorwaarden van Ludolph van 19 december 1782 komt dan ook voor, dat van de zijde van de bruidegom wordt aangebracht de adellijke huize en havezate Oldhuis en de daaronder behorende goederen voor zover hem reeds uit zijn vaders erfenis toekomende en de rest als medegift van zijn moeder. Hij werd van Oldhuis verschreven in 1778, maar bleef wonen  op de Beele bij Voorst. Oldhuis werd verhuurd, verslechterde en was in 1830 een gewone woning.
In 1846 was zijn zoon Jan Adriaan Joost baron Sloet tot Oldhuis districtscommissaris van de Veluwe, wonende op het huis de Beele onder Voorst, nog eigenaar.

Omstreeks 1850 vinden we in Zwolle de aristocraat Baron Sloet tot Oldhuis, die Zwolle graag een vooraanstaande rol wilde laten spelen in de Nederlanden. Zwolle moest daarom een open verbinding krijgen met de Zuiderzee. Niet via concurrent Kampen - daar hield Zwolle niet van - maar via Hasselt en Genemuiden, het Zwarte Water en het Zwolsche Diep. Sloet vond in ir. Benjamin Pieter Gesinus van Diggelen en zijn 'Naamloze Maatschappij ter verbetering van de handelsweg over het Zwolsche Diep, mede door middel van landaanwinning' een man die zijn plannen kon waarmaken. Hij ontwierp de vaarroute met aan het eind in de Zuiderzee twee leidammen en een vluchthaven met lichtwachterswoning. Deze woning, hoog boven het water en gebouwd op kraggen, werd later Kraggenburg genoemd. Tegenwoordig is het als Oud-Kraggenburg in de Noordoostpolder terug te vinden, vlak bij het Voorsterbos.

In 1859 overleed baron Jan A.J. Sloet tot Oldhuis. De havezate, met twee huizen en tuin, 880 gulden waard, ging naar B.W.A.E 'Sloet tot de Beele', naast rechtbankpresident ook schrijver en dichter. Na zijn overlijden in 1884 kreeg zoon A.G.A. Sloet het inmiddels vervallen huis. Kinderloos overleden werd het bezit in 1922 geveild en herverkaveld. Hendrik Schuurman en landbouwer Jan Willems de Oude verwierven beiden een stuk aan de Bisschopstraat. Het oude huis werd onbewoonbaar verklaard en gesloopt in 1887. Op een deel werd een nieuw huis gebouwd voor Hendrik Schuurman en zijn vrouw, getrouwd in 1887.

De boerderij daarnaast werd gebouwd in 1928 voor Jan Willems de Oude, in de plaats van het andere huis van Oldhuis dat in 1912 onbewoonbaar werd verklaard. Daarachter was in 1906 al een schuur met stal verrezen.