Het oranjevaandel markeert een punt in de geschiedenis van Nederland: de tijdelijke terugkeer naar het gezag van de stadhouder, Willem V van Oranje. Zie ook Vollenhove in de patriottentijd (1784-1787). Zeven notabele burgers en zes edelen van de Ridderschap van Vollenhove lieten dit vaandel maken en gaven het aan het stadsbestuur. Het exercitiegenootschap dat in de jaren daarvoor had opgetreden als burgerwacht, had ook een vaandel met als kleuren blauw-wit. Dat stond onder leiding van nota bene de zoon van de oude drost, Jan Arent Godert de Vos van Steenwijk (1713-1779) (van havezate Nijerwal) en ook Anthony Sloet van Oldruitenborgh (1769-1853) , zoon van de overleden luitenant-stadhouder Sloet van Oldruitenborgh was betrokken. Beide waren patriot.
De tegenbeweging won dus in 1787 en dat werd bevestigd met een vaandel voor de ‘eigen’ troepen. Spullen van de tegenpartij werden in beslag genomen en werden naast het nieuwe vaandel in het stadhuis opgehangen. Zie ook: Fagot van het patriottisch exercitiegenootschap.
Acht jaar later was de omwenteling echter definitief, de Bataafse Republiek was geboren en het stadsbestuur, waarvan de onderlinge benoemingen steeds betwist waren, werd vervangen door een nieuw soort bestuur, de magistraat. Het oranjevaandel was inmiddels zoek geraakt maar werd toch nog teruggevonden. Vermoedelijk is het toen lange tijd opgeslagen geweest in het archief van de stad, op de eerste verdieping van de toren naast het raadhuis. Het heeft er de schijn van dat burgemeester Ten Kate, die van 1926 tot 1940 in het raadhuis de scepter zwaaide en veel belang had voor historie, dit vaandel en nog een aantal andere historische objecten in het raadhuis tentoonstelde. In 1948 ging alles mee naar het nieuwe gemeentehuis, de voormalige havezate Oldruitenborgh. Rond de verbouwing daarvan van 1962-1964 lijkt het vaandel ook gerestaureerd, in ieder geval werd het ‘dundoek’ van beschilderde zijde voorzien van een stoffen ‘achterwand’. Het vaandel kreeg een mooie plek in de nieuwe burgemeesterskamer, waar ooit in 1809 koning Lodewijk Napoleon een nachtje gelogeerd had. Toen in 2001 na de herindeling de ambtenaren vertrokken, namen ze veel van de historische objecten mee naar Steenwijk maar het vaandel en het donateurenbord bleven hangen. Inmiddels heeft de gemeente het in bruikleen aan het Stadsmuseum Vollenhove gegeven waar het een prominente plaats in de permanente expositie heeft gekregen.
Wat is er op het vaandel te zien?
Een hert houdt het schild met het stadswapen vast. Het hert zal symbool staan voor de dieren, die destijds het jachtwild vormden van de bisschop van Utrecht die hier in 944 rechten kreeg. In de beschrijving uit 1811 van baron Jan Arend de Vos van Steenwijk (1746-1813) van de geschiedenis heten ze ‘elo’ en ‘schelo’, en dat zouden ook de naam zijn van de ‘herten’ die op het balkon van het voormalige Raadhuis (1621) aan het Kerkplein het stadswapen vasthouden. Dat Stadswapen van Vollenhove kent inmiddels iedereen omdat het inmiddels overal als vlag is te zien.
De oranjeboom draagt vruchten, ‘appeltjes van oranje’. Op de banderol het devies ‘vigilate et orate’, waak en bid. De beschadigingen rechtsonder – de verf is daar helemaal verdwenen – duiden er op dat het vaandel wel degelijk in de wind heeft gewapperd. Of de stok origineel is, valt te betwijfelen.
Wie waren nu die mensen die dit vaandel aan de stad schonken?
Baron Arend van Raesfelt tot Elsen (1725 Heemse -1807 Zwolle) was van 1786-1790 drost van het gewest Vollenhove.
Baron Roelof Sloet tot de Hare (1717-1790), ongehuwd, woonde op de Lindenhorst maar was lid van de Ridderschap vanwege de Haare. Vanuit het provinciaal bestuur gedeputeerde in de Staten Generaal.
Baron Robert Sloet tot Westerholt(1746-1816) was vanwege deze havezate lid van de Ridderschap vanaf 1772 en had allerlei lucratieve baantjes. In 1795 werd hij werkeloos, tot hij in 1814 de draad weer op kon pakken, o.a. als lid van de gemeenteraad.
Baron Lodewijk Arend Sloet tot Plattenburg (1720-1800) was een broer van Roelof Sloet tot de Hare. Hij was militair, en landrentmeester van Vollenhove van 1784-1795. Hij was lid van de Ridderschap van Overijssel vanwege havezate Plattenburg. Hij was lid van de generaliteitsrekenkamer, van de admiraliteit Amsterdam, en van de admiraliteit Maze.
Baron Gerhard Sloet tot Cannevelt (1726-1801), militair, werd in 1775 eigenaar van de havezate Cannevelt en daardoor lid van de Ridderschap. Hij bleef ongehuwd.
Baron Johannes van Coeverden (1741-1818) was schout en dijkgraaf van Wanneperveen en Zwartsluis. Hij huurde eerst havezate De Haare maar woonde vanaf 1781 met zijn vrouw op Kerkstraat 12. Hij had diverse militaire en bestuurlijke functies, waaronder lid van de Provinciale Staten van 1816-1818.
Paulus Bernard (1704-1791) was stadsgeneesheer. Kwam in 1750 uit Doesburg en woonde in het Lemkerhuis. Afkomstig uit een in Vollenhove bekende familie van schouten.
Johannis Bom (1713-na 1789), tinnegieter uit Amsterdam, werd burger van de stad in 1751, in datzelfde jaar schepen en gedeputeerde van de geestelijkheid. Woonde in de Bisschopstraat en beschikte over een kapitaaltje uit de verkoop van zijn huis in Amsterdam. Was een relatie van de Vollenhoofse advocaat Moulin, mogelijk familie via diens vrouw. Maakte de inventaris van de erfenis van Arend Sloet van Oldruitenborgh in de periode 1787-1789.
Jan Reinhard Strick (1756-1815) was in 1791 burgemeester. Zijn moeder was Maria van der Poel, kleindochter van de Vollenhoofse dominee Henricus van der Poel. De ongetrouwde Aleida van der Poel was zijn tante. Rechtsonder op het donateurenbord staat dat hij de tekst heeft samengesteld.
Vredenrijk Jan Engelenburg (1731-1806) was rentmeester van de geestelijkheid, van havezate Rollecate en plaatsvervangend rentmeester van de St. Janskamp. Burgemeester, magistraat, thesaurier, heemraad en dijkschrijver. Woonde vanaf 1774 Kerkstraat 12 en vanaf 1781 op de Rollecate, ging in 1802 naar Kampen.
Egbert Westenberg (1764-1802), meester in de rechten, stadsecretaris in 1787, schout van Vollenhove en Blokzijl van 1788-1795. Lid van de ‘Smalle Verdeling’ en secretaris van de Ridderschap van Vollenhove. Hij trouwde in 1791 met een dochter van dokter Paulus Bernard. Zijn broer, overste en lid van Provinciale Staten, trouwt in 1798 met een dochter van baron Van Coeverden. Hun overgrootouders waren vanuit Zwolle getrouwd in Beulake, in 1691. In 1803 legt hij verantwoording af voor ontvangsten en uitgaven over de periode 1789-1800 van renten van de obligaties in het drostambt Vollenhove aan Arend van Raesfelt tot Elsen, lid van de Ridderschap van Vollenhove.
Willem Jan Nessink (1731-1812) kwam uit Kampen, was schout van Vollenhove van 1768-1788. Secretaris van de Smalle Verdeling van 1761-1787 (maakte een afschrift van het 14e eeuwse dijkrecht), en namens Kampen lid / gecommitteerde in 1790. Hij was verwalter-leenheer van havezate Rollecate in 1784, stadhouder van de lenen van havezate Oldhagensdorp van 1773 tot het opheffen van het leenstelsel in 1805. Regelde de verkoop van de grond van Toutenburg (imcl. Tuinmanshuis) in 1782 aan Arend Sloet (1722-1786) en zijn tweede vrouw. Was lid van de gemeenteraad Kampen van 1789-1795, gecommitteerde van de Admiraliteit op de Maze (1793-1795) namens Kampen waar hij woonde in de Nieuwstraat (dat is nu de Kerkstraat). Was een relatie van de Vollenhoofse advocaat Moulin, leende geld uit aan diens zoon.
Aleida van der Poel (1716-1793) was de dochter van een dominee, en kleindochter van de Vollenhoofse predikant Henricus van der Poel. Vermoedelijk is ze na de dood van haar vader in 1745 – hij was al in 1723 afgezet als dominee – naar Vollenhove gekomen. Zij had in 1750 een inkomen tussen 600 en 1000 gulden, en een vermogen in 1758 van 1088 gulden. Ze bleef ongehuwd. Haar broer, overleden in 1772, was o.a. stadssecretaris en in 1751 luitenant bij de schutterij. Ze woonde in bij haar tante Hillegonda in de Kerkstraat 14. Ze was de tante van de eerder genoemde Jan Reinhard Strick, en de buurvrouw van baron Van Coeverden.